Uit de slaap gehouden

Een half uur voor de oratie, zaten mijn vrouw en ik in een zaaltje te wachten. Ze gaf me een liga. Toen ik die met enige tegenzin had opgegeten, wees ze op de kruimels waarmee mijn zwarte toga was bedekt. Ik stond op en veegde de kruimels van me af.

Een fotograaf die door de universiteit was ingehuurd doodde de tijd door aan een koekje te knabbelen. Hij had me zojuist gefotografeerd. Ik moest in toga en met baret voor een houten lambrisering gaan staan. Toen hij had afgedrukt liep hij naar me toe om me op het schermpje van de camera het resultaat te laten zien.
    ‘Is het wat?’ vroeg hij.
    ‘Ik kijk nogal chagrijnig,’ zei ik.
    ‘Er is niets mis met chagrijnig kijken,’ mompelde hij, terwijl hij terugliep terug naar zijn plek om nog een  foto te nemen. Ik probeerde te glimlachen.
    Toen bood hij aan me ook nog in rokkostuum te fotograferen. Het protocol schrijft voor dat je tijdens de intreerede onder de toga een rokkostuum draagt. ‘Dat heb je toch ook niet elke dag aan,’ zei hij.
    Ik bedankte.
    ‘Goed hoor. Zelf weten,’ zei hij. Hij liep naar de tafel met koffie en frisdrank en pakte een koekje van een schaaltje. Een medewerker van de catering keek werkeloos toe. Ik herkende zijn geblondeerde haar. Vroeger schepte hij de avondmaaltijden op in de mensa van de universiteit.
    Een man van de ondersteunende dienst kwam nerveus melden dat mijn laptop, waarmee de presentatie zou worden getoond, in de slaapstand was gegaan. Ik vroeg hem of hij hem weer aan wilde zetten. Hij zei dat hij niet wist welk knopje hij moest indrukken.
    Langzaam druppelden de eerste hoogleraren binnen. Het zaaltje was het verzamelpunt voor de hoogleraren die meeliepen in het cortège, de stoet van professoren. Meestal is het een stoetje van professoren. Er zijn veel oraties. Ik zag tot mijn verbazing dat er ook hoogleraren van de technische faculteiten binnenkwamen – grijze, wat nerveus glimlachende mannen die ik nooit eerder had gezien. Ze stelden zich niet aan mij voor. Het werd uiteindelijk toch nog een stoet.

Toen we het auditorium betraden, liepen we het protocollaire rondje door het publiek. Ik vermoed dat ik weer chagrijnig keek. Ik had geprobeerd te glimlachen, maar de spieren in mijn lippen voelden alsof ze een kubistisch portret moesten nabootsen. Chagrijn leek me een betere optie. Zorgvuldig meed ik de blikken van bekenden in het publiek.  

De ceremonie wordt altijd geopend door de rector van de universiteit of door een van diens vervangers. Dan wordt er een kort overzicht gegeven van de loopbaan van de nieuwe hoogleraar. In dit geval had de vervanger van de rector mijn gehele CV uitgeprint en aan elkaar geniet. Met een gele markeerstift waren de door hem relevant geachte onderdelen aangestreept. Die begon hij binnensmonds voor te lezen. Het was ongeveer even informatief als de waterstanden die vroeger op de radio werden voorgelezen, maar dan minder verstaanbaar. Ik voelde dat ik rustig werd. Er was geen succes en falen meer, alleen nog maar het protocol. De waterstanden horen ook bij het protocol. Er is troost in het onvermijdelijke. Wat ook min of meer de strekking van mijn verhaal was.

Eindelijk betrad ik het podium. Ik zette de laptop aan en keek naar een glazen hokje in de nok van het auditorium. Ik zag niets door het glas, maar enkele seconden later verscheen alsnog de presentatie op het grote scherm. Omdat ik voor het eerst nieuwe presentatiesoftware gebruikte, controleerde ik even of de software wel reageerde op de afstandsbediening. Het werkte.

Na afloop mogen de hoogleraren als eerste feliciteren, volgens het protocol. Een van de grijze mannen van de technische faculteiten zei dat hij altijd een uiltje knapte tijdens oraties, maar dat ik hem uit de slaap had gehouden. Uit zijn toon kon ik niet opmaken of het een klacht was of een compliment. Een andere man zei dat het heel goed te volgen was, omdat er zo weinig wetenschap in zat.

Na afloop van de verplichte receptie in de Aula vertrokken we naar de locatie van het diner en feest, een gebouw van een oude lijmfabriek. De avond was bijzonder ontspannen. Af en toe vergat ik dat het mijn feestje was. Mijn collega’s hadden een prachtige video voor me gemaakt en een erg bijzonder cadeau weten te organiseren: ik schijn te gaan dineren met Arnon Grunberg.

Ik had me voorgenomen dronken te worden en dat lukte redelijk. Om kwart voor een viel ik in slaap boven een Grimbergen dubbel in een café in de Delftse binnenstad. Mijn collega’s betaalden voor me en ik fietste naar huis.




Ook vlees moet vertroeteld worden

Het zit er even niet in, dagelijks hier iets te plaatsen. Tot 10 maart zit het er niet in, om precies te zijn. Dan dien ik mijn oratie uit te spreken aan de Technische Universiteit Delft. Het is een ritueel – maar een ritueel dat ik serieus neem.

Je hebt ruwweg twee opties voor het schrijven van een oratie: Of je zet je onderzoek van de voorafgaande jaren nog eens op een rijtje, gevolgd door enkele voornemens voor de toekomst. Of je maakt iets nieuws. Een breuk met het voorafgaande. Ik had behoefte aan een breuk. Dus verzon ik medio december een onderwerp waar ik nog nooit over had geschreven: Fatalisme.
    Sindsdien denk ik na over de vraag hoe je fatalisme kunt verkopen als politieke boodschap. Dat amuseert me. Wat niet wil zeggen dat het opschiet. Het is nu medio februari en ik ben nog niet halverwege met de tekst. Het schrijven moet tussen de bedrijven door en er waren nogal wat bedrijven de laatste weken.
    Collega’s vragen me of ik al nerveus ben. Dan zeg ik: nee. Of ik zeg: ja. Het is allebei waar.
    Hoe dan ook, ik moet me even concentreren. Waarvoor mijn excuses. Op 11 maart zien we elkaar hier weer terug.
    Of misschien de dag ervoor. U bent van harte uitgenodigd de oratie bij te wonen. Het auditorium van de TU Delft is immens en oogt dan ook altijd deprimerend leeg tijdens oraties. En andere gelegenheden. Het schijnt dat Frans Bauer de zaal ooit heeft weten te vullen tijdens een feestje van de personeelsvereniging. Verder ken ik het alleen als een locatie die minachting uitdrukt. Ik heb ruzie gemaakt tot op het niveau van het College van Bestuur om in een kleinere zaal te mogen oreren. Dat mocht niet. Conclusie: Ik ben een slechte ruziemaker.
    Hoe dan ook, u zou me een groot genoegen doen dit openbare ritueel bij te wonen. “Meat in the room,” noemen Amerikaanse diplomaten dat, heb ik recent geleerd. Ik zal al het aanwezige vlees dankbaar zijn. Bijkomende voordeel is dat u me kunt zien struikelen in toga. Na afloop wordt er gratis drank geserveerd. Ook vlees moet vertroeteld worden.

“Techniek van de onmacht: Fatalisme in politiek en technologie”
Auditorium, Aula van de Technische Universiteit Delft
Mekelweg 5, Delft
Woensdag 10 maart, 1500u.




Professor 6

Ik las een wetenschappelijk artikel van een auteur met de achternaam: 6. Inderdaad, het cijfer zes. Voornaam: Perri.
    Ik keek in de literatuurlijst. Die begon met diverse publicaties van 6, P. Daarna kwam Adams, G.

Ik dacht eerst dat er iets mis was gegaan bij het opmaken van het tijdschrift. Een korte zoekactie genereerde echter een hele serie artikelen van Perri 6. Professor Perri 6. Het zou een aardige naam zijn voor een robot in een kinderserie.

Ook op zijn officiële webpagina bij de Nottingham Trent University stond hij onder die naam vermeld. Ik voelde de behoefte een foto van de man te zien. Maar het enige dat ik vond was een close-up van een lego-poppetje. Uit de ruimtevaartserie, als ik me niet vergis.

Toen belandde ik op Wikipedia. Daar stond het volgende: “Professor Perri 6 is a noted British social scientist. He changed his name from David Ashworth to Perri 6 in 1983, stating that he was amused by the notion of ‘6, P’ appearing in academic papers.”

Verwarring zaaien is een van de sympathiekere vormen van amusement. Maar ik bewonderde vooral de volstrekte frivoliteit van zijn naamsverandering. Een beschaafde verzetsdaad tegen de wurgende ernst van de academie. Verzet is doorgaans nog humorlozer dan datgene waartegen het zich afzet. Maar Perri 6 had een sluiproute gevonden.

Net voor ik mijn kleine excursie wilde beëindigen, vond ik een opname van een toespraak van Perri 6. Dat was even schrikken. Een geaffecteerde Britse stem oreerde traag en bombastisch over een nogal triviaal punt. Humorloos, zou ik normaal gezegd hebben. Maar nu vroeg ik me af of dit deel was van de strategie van verwarring waarin meneer 6 zich had gespecialiseerd.




Ik sprak iemand die een discussieavond van de gemeente ging leiden in Amsterdam Zuidoost.
    ‘In de Bijlmer, dus,’ zei ik.
    Hij schudde zijn hoofd. ‘Je mag geen Bijlmer meer zeggen.’
    Terwijl ik daar over nadacht, zei hij: ‘Zwartjes mag ook niet meer.’

09/02 - 0

Ja ik stem in Delft

Op de markt in Delft stonden twee stewardessen te zingen voor een metershoog rood potlood. Ze waren omringd door een kluitje toeschouwers.
    Ik wilde eerst verder fietsen, maar het kluitje had aandacht nodig. Warmte. Ze stonden bijeen in een hoek van het grote lege plein. Je ziet dezelfde formatie bij pinguïns die langdurige sneeuwstormen moeten trotseren. Het mistige plein werd gevuld met luide muziek en de zang van de stewardessen. Iets over dat het fijn was te mogen stemmen.
    Het kluitje bestond bijna geheel uit leden van politieke partijen. De CDA’ers in een groen windjack dat de laatste campagne van Lubbers nog meegemaakt leek te hebben. De VVD’ers in fluorescerende veiligheidshesjes. Die zochten toenadering tot de straatwerkers. Of ze waren bang aangereden te worden.
    Op gepaste afstand van de politiek actieven stond een man met zijn hondje te kijken. Verder kon ik geen burger ontwaren.
    Halverwege viel de geluidsinstallatie uit. De kille mist drong blijkbaar niet alleen de ledematen binnen.
    De stewardessen zongen dapper verder. De burgemeester, met ambtsketen, zwaaide mee met het nu onhoorbare lied.
    Toen de muziek weer aanging zaten de zangeressen een toon te hoog. Als je stug volhoudt zit je al snel een toon te hoog.
    De installatie viel nog een paar keer uit. Naast de burgemeester sprongen nu ook andere partijsympathisanten in het gat.
    ‘Ja, jullie doen het heel goed,’ riep een van de stewardessen.
    Toen het einde van het nummer was bereikt, klonk er een kort applausje. Daarna keerde de stilte weer op het lege plein.
    Ik las de tekst op het grote rode potlood. Jaikstemindelft.nl.
    Ik nam me voor dat adres te bezoeken, vanaf verschillende computers. Ergens in de komende maanden zouden de politiek actieven er doorheen zitten. Terwijl ze in hun plastic bekertjes koffie stonden te roeren, zou iemand erop wijzen dat er in ieder geval de website aardig bezocht was geweest.
    Politiek is een hond die geschopt wordt, maar die blijft terugkomen in de hoop ooit een aai van het baasje te krijgen. Daar krijg je valse honden van, heb ik me laten uitleggen.




¤
Kasteel Oud Poelgeest

Gisteren gaf ik les in een kasteel, aan vijfentwintig van onze jongste onderzoekers. Tijdens het diner aan het einde van de dag vroegen verschillende onderzoekers me waarom ze zo verwend werden. Ik zei dat personeelsbeleid en omkoping soms moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.


05/02 - 1

Als er geen te hoge bonussen waren, moesten ze worden uitgevonden. (Max Pam, Over de uitwas die kapitalisme heet)

02/02 - 0

Maand drieënvijftig

Lieve Vera,

Het was de maand waarin je te weinig sliep. Niet omdat je niet wilde slapen, maar omdat je te vroeg gewekt werd. Vond jij. Elke ochtend probeer ik je wakker te krijgen. Elke ochtend draai je van me weg en begin je hartstochtelijk te jammeren als ik je uit bed til.
    Dit was ook de maand dat je niet meer naar school wilde. Een paar maanden lang was school de beste uitvinding sinds het perenijsje. Toen werd je juf ernstig ziek en raakte je, samen met een paar klasgenootjes, op drift als een stel zigeuners.
    Begin deze maand kwam je eindelijk weer terug in je eigen lokaal. Met twee nieuwe juffen. Weer twee. Ik heb teveel nieuwe juffen zien komen en gaan. Sommige gezichten zag ik een enkele ochtend, daarna kwam er alweer een nieuw gezicht. Misschien werd het verzorgen van kleuteronderwijs ergens als cursus aangeboden, tussen expressief kleien en de poëziewerkplaats. Even lijkt het bevredigender, het boetseren met kinderzieltjes in plaats van klei. Maar ik had er alle begrip voor dat de vrouwen na een ochtend, misschien twee, terugverlangden naar een koude, zwijgzame homp klei. Daarom besloot ik niet meer te vragen naar hun namen.
    Nu heb je twee juffen. Dat komt omdat bijna iedereen in het onderwijs in deeltijd blijkt te werken. Behalve je oude juf. We missen haar allebei. Je verafgode haar zozeer dat je haar wetten als een soort sharia invoerde hier in huis. Veel woorden werden verbannen. We moesten om de beurt praten. Lachen was vaak niet toegestaan. Je glom als je ons corrigeerde en je glom als je het zelf goed deed, in de klas. De sharia wordt gezien als instrument van onderdrukking, maar jij had ontdekt dat het leidde tot reproduceerbaar geluk.
    De twee nieuwe juffen zijn erg verschillend. De eerste laat je even vergeten dat je school niet meer leuk vindt. De tweede is iemand die je daar weer aan herinnert. Ze boezemt je angst in. Ineens klamp je je weer aan mijn been vast. En de afgelopen week barstte je voor het eerst in huilen uit, toen je moeder je achterliet in de klas.
    Ik wist eerst niet wat je bezwaar was tegen de tweede nieuwe juf. Totdat ik haar aankeek. Ze heeft de dood in de ogen. Een blik die ik ken van journaalbeelden uit rampgebieden en van ontmoetingen bij de koffieautomaat in mijn kantoor. Het is meteen duidelijk: ze kan er niets aan doen. De dood heeft intrek genomen in haar ogen. Waarschijnlijk stond de zaak al een poosje leeg.
    Als volwassene raak je gewend aan die blik. Je probeert de blik te vermijden. Maar soms ontmoet je hem toevallig. Bijvoorbeeld omdat de ander staat te wachten tot de automaat iets gebrouwen heeft dat, volgens het bijschrift onder de betreffende knop, Wiener Melange heet. Dan kijk je de dood aan en knik je vriendelijk. Je beseft dat er momenten zijn geweest waarop je zelf die blik had, zonder het te weten. Het te willen weten. De vriendelijk knikkende medemens helpt daarbij. Je zult merken dat je vader een groot voorstander is van vriendelijk knikken. Er zijn weinig situaties denkbaar waarin dat een ongepaste reactie is. Zodra ik ontdekt heb welke dat zijn, zal ik je daarover inlichten.
    Maar goed. Volwassenen zijn gewend aan die blik. Jij, daarentegen, trekt de enige juiste conclusie: je wilt vluchten.
    Vluchten is een belangrijke menselijke vaardigheid. Het belang ervan kun je herkennen aan de grote schaal waarop het wordt ontmoedigd.
    Als je vier bent is vluchten nagenoeg onmogelijk. Ja, kinderen vluchten in hun fantasieën, zeggen volwassenen dan. Maar fantasie, dat is vluchten voor beginners. Net als je weg bent, klinkt er een stem. Je kijkt op en aanschouwt ineens weer het gezicht van de vrouw die zich over je heen buigt. In haar ogen schuilt geen leegte, dat zou aanzienlijk draaglijker zijn. Nee, er is nog wel iets van leven in te ontdekken, maar dat leven is omstandig aan het creperen.
    Als je moeder morgen dit leest, zal ze me aanspreken op deze onbarmhartige woorden over je tweede juf. Ik weet nog niet precies hoe ze dat zal doen. Dat is het aardige van je moeder. Maar ze zal niet ontkennen dat jouw wil om te vluchten een gepaste reactie is. En dat we je op dat vlak vooralsnog weinig te bieden hebben.
    Je moeder en ik zijn allebei aan het oefenen met vluchten. Ik zal je op de hoogte houden van onze vorderingen.




Twee primeurs

Terwijl ik een boek las over het leven in de accountancy, koekjesproductie, raketbouw en andere beroepen die ik nooit zal beoefenen, maakte mijn vrouw beneden in de keuken een kruikje voor me. En een kop thee.
    Voor het eerst in mijn leven had ik om een kruikje gevraagd. Je maakt mij niet wijs dat dit geen mijlpaal is. Ik ging ervan uit dat het kruikje gevuld zou worden met warm kraanwater, maar mijn vrouw stond erop er kokend water in te doen. Het was een kleine moeite om er nog een kopje thee aan toe te voegen, zei ze. Uit milieu-overwegingen stemde ik daarmee in. Tevergeefs opgewarmd warm water vervuld me met een zekere somberheid. Overigens hebben milieu-overwegingen wel vaker een opstuwend effect op mijn consumptiepatroon. Je zou daaruit het failliet van die overwegingen kunnen concluderen, maar zoals bij vele regelsystemen is het bestaan ervan belangrijker dan het resultaat.
    De ibuprofen begon effect te sorteren en ik kreeg ineens een beetje trek.
    Naast het bed lag mijn telefoon aan de oplader.
    Ik pakte de telefoon en belde de mobiel van mijn vrouw.
    Ik luisterde of ik de beltoon van mijn vrouw door de vloer van de slaapkamer kon horen. Het is een soort liftmuziekje. Maar ik hoorde niets.
    Mijn vrouw nam enigszins verbaasd op. Na het kruikjesverzoek was dit interne telefoonverkeer een tweede primeur. Ik werd ineens bevangen door een gevoel van optimisme over wat de toekomst nog allemaal zou brengen.
    Ik vroeg mijn vrouw of ze ook nog een bakje chips mee wilde nemen. Die nieuwe, ja.
    Even later arriveerde mijn bestelling.
    Daarna ging mijn vrouw douchen.
    Ik overwoog mijn laptop te gaan halen en even een stukje te tikken. Optimisme is een vorm van agitatie en dat moet ergens in afgevoerd worden. Een ogenblik mediteerde ik op de vraag of het tikken van een stukje niet met terugwerkende kracht mijn hulpverzoek in een bedenkelijk daglicht zou stellen.
    Ik bleef in bed.
    De nieuwe chips, iets met pittige oosterse kruiden, combineerde verrassend goed met de kruidenthee. Terwijl ik het hoofdstuk over de accountants uitlas, ebde de agitatie langzaam weg. Maar niet helemaal.




De bovenhand

In een hotel in Amsterdam had ik een afspraak met de Chief Technical Officer van TrendMicro, een wereldwijd opererend computerbeveiligingsbedrijf. De vorige keer dat ik hem sprak, liepen we naar de koffiehoek van de Bijenkorf en trakteerde ik hem op koffie met appelgebak. Deze keer had hij een verdieping van zijn hotel afgehuurd. Bij de receptie raadpleegden ze een schema. Ik moest naar kamer 4.16. Hij zou van de ene naar de andere kamer gaan, als een arts langs de patiënten in een ziekenhuis.

Hij kwam binnen, precies op tijd, schudde mijn hand en begon me uitvoerig te bedanken voor het feit dat ik ervoor gezorgd zou hebben dat de Nederlandse overheid wereldwijd vooropliep bij het bestrijden van botnets.
    Ik zei dat hij mijn rol schromelijk overschatte.
    Nee, dat vond hij niet. Hij herhaalde nog een keer zijn compliment.
    Een belachelijk compliment. Ik zei nogmaals dat àls de Nederlandse overheid al vooropliep, het niet aan mij te danken was.
    Weer wuifde hij mijn bezwaren weg.
    Toen zei ik dat ik voor het verslag wilde laten aantekenen het niet eens te zijn met zijn bewering.
    ‘Je bent te bescheiden,’ zei hij glimlachend.
    Soms is generositeit een vorm van agressie. Een manier om de overhand te krijgen. Je kunt iemands hand iets te stevig vastpakken of je kunt iemand iets te genereus complimenteren.
    Desondanks werd het prettig gesprek. Onderdanigheid is een onderschatte vorm van geluk.




Strijden als Grover

Ik parkeerde mijn fiets naar het hoofdgebouw van het opleidingsinstituut voor krijgsmachtofficieren. Voor de ingang waren twee militairen bezig met het hijsen van een vlag die ik niet herkende. Er staat een hele rij vlaggenmasten en ze waren halverwege. Een soldaat hield de vlag vast, een ander knoopte hem vast. Daarna drukte hij op een knopje drukte in de mast en werd de vlag met een zoemend geluid gehesen.

Het gebouw zelf doet sterk denken aan een zwembad uit de jaren zeventig. De binnenmuren zijn opgetrokken uit gasbetonblokken, de deuren zijn geel, de vloertegels grijs. Het ruikt ook als een zwembad. Een combinatie van chloor en toiletverfrisser.

In de gang langs de klaslokalen hing een staatsieportret van de vorige lichting die de opleiding doorlopen had. In het midden van de eerste rij had men een lege stoel neergezet. Ik vroeg een van de cursisten naar de reden van de lege stoel. Hij zei dat er twee deelnemers door persoonlijke omstandigheden de opleiding niet hadden kunnen afmaken en dat de stoel symbolisch stond voor hun aanwezigheid in de groep. Het gewicht waarmee hij “persoonlijke omstandigheden” uitsprak, suggereerde dat het een eufemisme was voor een bermbom of zelfmoordaanslag.

In de korte pauzes bleef ik meestal in het leslokaal. Ik bekeek onder andere de stickers op de muur. Het waren logo’s van verschillende krijgsmachtonderdelen – kleurrijke knutselwerkjes die uit de handen waren gebleven van de huisstijlpolitie en communicatieafdeling. Sommige onderdelen beeldden zichzelf af als sesamstraatfiguren of tekenfilmdieren. Ik zou ook het liefst als Grover ten strijde trekken.


Dit was het derde jaar dat ik les gaf in deze opleiding. De eerste keer moest ik wennen aan de formele beleefdheden die werden aangehouden. Men stond erop dat aan het begin van de dag een van de officieren mijn CV zou voorlezen aan de klas. Er zijn weinig situaties die ik beschamender vind. Slavoj Žižek heeft ooit beweerd dat dit fenomeen, wanneer iemand over je praat tegenover een ander en je herkent jezelf niet in de beschrijving, een vorm is van symbolische castratie.

Een andere beleefdheid bestond eruit dat ik voortdurend werd vergezeld door een chaperonne. Toen was dat een Luitenant der eerste klasse uit de onderzeedienst. De officier haalde koffie voor me en gaf me een rondleiding in de bedrijfskantine waarbij hij de slaatjes, broodjes, kroketten, kuipjes met kipkerrie en de soep van de dag voorzag van een korte recensie, om zo mijn keuzeproces te vergemakkelijken. Hij zag het ook als zijn taak om het gesprek gaande te houden tijdens de lunch.

Vorig jaar vergat men mijn CV voor te lezen bij aanvang van de les. Toen die omissie in de loop van de dag werd geconstateerd leidde dat tot enige consternatie onder de officieren. Uiteindelijk werd iemand aangewezen die aan het einde van de dag alsnog mijn CV ging voorlezen.

Gisteren liep het anders. Er werd geen CV voorgelezen en ik kreeg geen chaperonne. Niemand begon erover. Misschien dat de zorgen over de oorlog langzaam het opleidingsinstituut zijn binnengedrongen.




15/01 - 3

Een omineuze titel

Toen ik de woonkamer binnenkwam, met mijn muts nog over de oren, zei mijn vader dat Docters van Leeuwen in het journaal mijn naam had genoemd. En een boek van mij.
    Er waren zoveel dingen mis met die mededeling dat ik er vanuit ging dat ik hem niet goed had verstaan. Ik was ingesteld op een zin als: Nou, je fietslamp doet het weer en de heg is ook geknipt. Maar die zin zou pas later op de middag volgen. Dus ik zei: ‘Wat?’
    ‘Het ging over Irak. Heb je daar een boek over geschreven?’
    ‘Hij noemde mijn naam? Weet je het zeker?’
    ‘Ja.’ De suggestie dat hij niet zou weten wanneer de naam van zijn zoon genoemd werd in het journaal, stond hem niet aan.
    ‘En een boek?’
    ‘Ja.’
    ‘Welk boek?’
    Maar mijn vader wist niet meer welk boek. ‘Noem er eens een paar,’ zei hij.
    Met tegenzin noemde ik een titel.
    ‘Nee, die was het niet. Geloof ik.’
    Ik heb ooit meegeschreven aan een boekje waarvan Docters van Leeuwen een van de belangrijkste auteurs was. Maar als het om dat boekje ging, was er geen enkele reden om mijn naam te noemen.
    ‘Nee,’ zei mijn vader. ‘Die was het ook niet.’
    ‘En ook niet de roman?’
    ‘Nee, dan had ik het wel onthouden.’
    Zijn mededeling bij mijn binnenkomst was laconiek geweest, alsof het normaal was dat mijn naam in het journaal werd genoemd. Een van de effecten van sociale mobiliteit is dat je ouders niet meer weten wat normaal is. Met een ruimhartig gebaar nemen ze dan maar aan dat alles normaal is.
    Mijn vader had van mij uitleg verwacht. Nu die uitbleef, werd hij ook onrustig.
    ‘Kun je dat niet euh, op de televisie terugkijken, hoe heet het, bij ons kun je dat dan nog op de receiver opslaan, als je op de knop drukt.’
    Ik zocht op Uitzending gemist naar het journaal van twaalf uur.
    ‘Ja, dit is het,’ zei mijn vader opgewonden. ‘Straks komt het.’
    Ik spoelde vooruit. Het was niet zozeer een journaaluitzending, maar een gedeelte van de live-uitzending rondom de persconferentie van de commissie Davids. Helemaal aan het einde verscheen Docters van Leeuwen in beeld. Na twee zinnen werd de opname afgebroken. Mijn naam was niet gevallen.
    Ik ging koken. Ik wilde liever eerst mijn donkere pak en grijze stropdas uittrekken, maar ik had mijn vrouw beloofd mijn hoogleraarstoga aan te trekken. Met een zekere begerigheid had ze daarom gevraagd. In een huwelijk is het zaak niet lichtzinnig om te springen met begerigheid. Onder de toga moet een donker pak en een grijze stropdas.
    Terwijl ik andijvie sneed, realiseerde ik me de oplossing voor het journaalmysterie. Docters van Leeuwen, die ik sporadisch tegenkom in Den Haag, had me verward met iemand anders. Iemands boek was genoemd omdat het iets met Irak of oorlog of het volkenrecht van doen had. En Docters had daar de verkeerde auteursnaam aan gekoppeld.
    Na het eten zocht ik toch nog een keer op Uitzending gemist. Mijn vader stond naast me. Toen vond ik een langere registratie van de live verslaggeving. Deze keer was Docters er niet afgeknipt. Gespannen wachtte ik op het moment.
    Helemaal aan het einde gebeurde het. De presentatrice probeerde langzaam de uitzending af te sluiten. Docters was echter nog niet klaar. Het ging over tunnelvisie. Hij zei: ‘Daar zijn mooie proefschriften over geschreven. Euh. Maar, laat maar.’
    Mijn proefschrift van elf jaar geleden bevat alleen in een zeer fantasierijke lezing elementen die je, als je daartoe geneigd zou zijn en als de voorraden van de duizenden academische boeken die gaan over tunnelvisie om niet nader te noemen redenen allemaal in rook zouden zijn opgegaan, zou kunnen scharen onder de noemer: tunnelvisie.
    Het gesprek bewoog weer weg van proefschriften.
    En toen, in de allerlaatste seconden van de uitzending, vergezeld van een verontschuldigend handgebaar voor het feit dat hij de afronding van de uitzending ophield, zei Docters: ‘Michel van Eeten, ik zeg het toch nog maar even, heeft er een mooi proefschrift over geschreven. Dat heet: Dialoog tussen de doven.’
    De presentatrice sloot het gesprek af met de woorden: ‘Een omineuze titel.’




Een collega kwam mijn kamer binnen en zei: ‘Dus jij hebt hier een vogelkooitje hangen?’ Ik wees naar het kooitje boven mijn deur. ‘Kijk zelf maar, daar lijkt het toch op?’ Hij keek, fronste een ogenblik zijn wenkbrauwen en concludeerde toen: ‘Je bedoelt een vogelhuisje.’ Ik staarde hem aan en zei toen gegeneerd: ‘Je hebt gelijk.’ Ik wilde nog iets zeggen, maar hij was alweer weg. Lezers attenderen me regelmatig op fouten. Ook op kinderlijke taalfouten. Daar ben ik ze dankbaar voor, maar het laat me verder onberoerd. In dit geval had ik echter even het onbehaaglijke gevoel dat de fout een symptoom was van iets ernstigers. Ik corrigeerde de fout met tegenzin, alsof dat niet de juiste handeling was.

12/01 - 2

Ovenfriet met spruitjes

Dit weekeinde keek ik met mijn twee dochters naar de vallende sneeuw. Mijn vrouw was een paar dagen weg. Vlak na haar vertrek belde mijn schoonmoeder of de verwarming het deed, of ik nog boodschappen nodig had, of er verder nog iets was. Er was verder niets, de verwarming deed het, de boodschappen waren gedaan. We hebben twee dagen ovenfriet met spruitjes gegeten. En ik had Belgisch bier in huis gehaald. Als mijn vrouw thuis is drink ik wijn, maar in haar afwezigheid bleek ik ineens weer een bierdrinker te zijn. Het was alsof mijn lichaam zich een eerder leven herinnerde. Een leven waarin het woord bierbuik me weinig angst in boezemde. Sinds ik getrouwd ben, boezemen allerlei zaken me angst in. Let wel, als ik nog iets van mijn leven maak, is het uit angst. Wat dat betreft kwam het huwelijk niets te vroeg.

We keken naar de sneeuw en het was goed. Ik stemde in met elk verzoek van Vera en mocht als beloning mijn stapel ongelezen afleveringen van The New Yorker verkleinen. Af en toe kwam ze naar de bank om op schoot te zitten of om een boekje te lezen. De rest van de tijd scharrelde ze door de kamer. Jules lag op haar buik en draaide als een kompas mee met de magnetische pool die haar grote zus is.
    Ik herinnerde me een moment tijdens tweede Kerstdag. Het is donker. Ik parkeer de leenauto om de hoek bij mijn schoonouders. Vera is net in slaap gevallen. We besluiten dat mijn vrouw en Jules al naar binnen gaan en ik bij Vera blijf zitten.
    Zitten in een stilstaande auto is een genot dat me iedere keer weer overvalt. In de droge, besloten akoestiek hoor ik haar ademhaling en de mijne. Af en toe schiet er een spasme door een van haar ledematen. Op de garage naast ons heeft iemand een lichtslang gehangen in de vorm van een rendier. Sporadisch rolt een auto om de hoek van het woonerf, de lichten doorsnijden onze cabine. De straten heten hier geen straten maar zijdes. Als in: Brechtzijde.
    De twintig minuten in die auto was het mooiste moment van Kerst.
    Ook toen las ik trouwens The New Yorker. Op mijn telefoon. Dat wil zeggen, verder dan de openingsregels kwam ik niet. Ik kan alleen prettig niets doen als ik iets te doen heb.

Zaterdagavond keek ik My Sister’s Keeper. Sentimenteel, maar niet zonder effect. Een kind sterft aan kanker.
   Soms fantaseer ik dat Vera of Jules een afschuwelijke ziekte krijgt. Een beeld is het, een flits, meer dan een fantasie. De pijn die het oproept is verslavend. De intense gewaarwording dat ik aan een ander mens gehecht ben.
    Toen ik eindelijk naar bed ging, was het gestopt met sneeuwen.




Vogelhuisje

De afgelopen dagen werkten er mannen op onze gang die in alle kantoorkamers een mysterieus houten plankje met een donker gat in het midden monteerden. Precies boven de deurpost. Het heeft iets van een vogelhuisje.
    Vanmiddag liep ik het secretariaat binnen. Twee van de vier secretaresses waren aanwezig. Ze zaten naar de deur gedraaid, maar ze keken over me heen, naar het vogelhuisje.
    ‘Nee, ik had dat ding ook nog niet gezien,’ zei de een. ‘Wanneer hebben ze dat gemaakt?’
    ‘Geen idee. Wat zou het zijn?’
    ‘Zou er een camera in zitten, misschien? Dat ze op alle secretariaten er eentje gehangen hebben.’ Ze stak haar hand op en zwaaide glimlachend naar het vogelkooitje.
    Haar laconieke reactie op zo’n vorm van toezicht, deed me denken aan de wetenschappers die alle organisaties opvatten als varianten van gevangenissen. De secretaresses hebben het, voor zover ik weet, naar hun zin op het secretariaat. Die twee zaken hoeven elkaar niet uit te sluiten. Ik heb ook wel eens fantasieën waarin ik langere tijd in een gevangenis moet doorbrengen. Om de een of andere reden vervult me dat met een geluksgevoel.
    Ik keek even naar het vogelhuisje en zei toen dat iedereen zo’n ding op zijn kamer had gekregen.
    ‘O,’ zei ze.
    ‘Het is een ontruimingsluidspreker.’
    Ik had het aan de monteur gevraagd die in mijn kamer had gewerkt. Hij kon me niet vertellen waarom we die kregen. Later hoorde ik dat vlak voor Kerst het brandalarm was afgegaan. Er was enige rookontwikkeling geweest in een andere vleugel. In onze vleugel had schijnbaar iedereen doorgewerkt en beweerd het alarm niet gehoord te hebben. Enkele mensen hebben hun vakantie geofferd om deze schrijnende misstand uit de wereld te helpen. Je kunt veel zeggen over onze gevangenissen, maar niet dat ze verwaarloosd worden.




Maand tweeënvijftig

Lieve Vera,

Gisteren heb je me genezen van het waanidee een goede vader te zijn. Achteraf verbaast het me dat je er tweeënvijftig maanden voor nodig had.
    Je zat ziek thuis, samen met mij en je zusje. Het was pas de tweede of derde keer dat we je thuis hoefden te houden in viereneenhalf jaar. Wij doen niet aan ziekte. Vooral uit efficiëntieoverwegingen. Het negeren van symptomen is doorgaans aantrekkelijker dan de verstoring in de huishoudelijke logistiek die we uitzieken noemen.
    Je had mij ook besmet, maar omdat ik op dinsdagen niet hoef te werken, telt het niet als ziekte en bleef de huishoudelijke logistiek gespaard. Of je zusje de ziekteverwekker had binnengekregen was niet duidelijk. Ze heeft sinds haar geboorte een loopneus, meestal in combinatie met de raspende ademhaling van een kettingroker. Ook zij doet niet aan ziekte.
    Je moeder had gedoucht en het pand verlaten. De eerste rituele handelingen hadden we voltooid. Boterhammen waren opgegeten, verzoeken om televisie te mogen kijken waren afgewezen, jullie kleren waren aangetrokken en het speelgoed was uit de kast gehaald. Ziek of niet, je speelde zoet vakantietje onder een deken waarmee we een tent hadden gefabriceerd. Je zusje had intussen haar doorlopende project hervat: het in de mond stoppen van onze gehele huisraad.
    Toen wilde ik ook even douchen. Ik geef toe, op dat moment jammerde ik al een beetje van binnen. Helaas had ik geen koorts, blijkbaar waren een paar pijntjes al voldoende om de deur open te wrikken naar iets dat ik verafschuw: zelfmedelijden. Een soort emotionele incontinentie.
    Ik ontkleedde mezelf en zette de douche aan. Het water bleef steenkoud. Ik kleedde me weer aan en toog naar de verwarmingsketel. Fout 5, stond er op de display. Bel uw gediplomeerd monteur, stond er in het boekje. De verwarming deed het evenmin. Ik pakte extra truien uit de kast, voor mezelf en jullie. Jij hoefde er geen. Je vond het lekker warm, zei je. Volgens de thermostaat was het toen nog zeventien graden.
    Terwijl jij lief speelde, probeerde ik te werken. Je moet niet willen werken als je thuis bent met twee kinderen. Dingen niet willen, dat gaat me echter steeds slechter af. Een verontrustend vooruitzicht.
    Je kwam bij me staan. Wilde ook even typen.
    Nee, zei ik.
    Wilde op schoot.
    Nee, zei ik.
    Wilde dat ik mee kwam op vakantie.
    Nee, zei ik.
    Wilde dat ik meehielp met een puzzel die je ineens hoegenaamd te moeilijk vond om alleen te maken.
    Nee, zei ik.
    Toen me duidelijk werd dat ik niet verder kon werken, verschoonde ik je zusje en gaf haar een fruithapje. Ik had geen zin om een verse appel te pureren en pakte een potje uit de kast. Terwijl ik dat bij haar naar binnen lepelde, kwamen zeven nieuwe e-mails binnen.
    De temperatuur in de kamer was inmiddels veertien graden. De monteur zou aan het einde van de middag komen.
    Ik knuffelde je zusje, snoof de geur op van haar hals, maar omdat mijn neus verstopt was, rook ik niets. Ze trok aan mijn haren en ik legde haar weer op de grond.
     Je vroeg nog een keer iets, ik weet niet meer wat, en ik zei weer nee. En zette me schrap voor het gejengel dat zou volgen.
    Maar er volgde geen gejengel. We hebben veel energie gestoken in het afleren van gejengel. Voortdurende correctie. Opvoeden is het breken van iemands wil, totdat er een aangepast mensje ontstaat dat niemand tot last is, geen verstoringen meer veroorzaakt in het logistieke proces. Dat jij over een jaar of tien mij als een stuk vuil gaat behandelen, is een geruststellend idee, in dat verband. Beter dat, dan je om vergeving te vragen.
    Je jengelde dus niet. In plaats daarvan jengelde ik. In mijn hoofd. Ik wilde dit niet meer. Wilde weg. Even probeerde ik mezelf vrij te pleiten. Overmacht, zoiets. Iedereen zit er wel eens doorheen. Maar dit was geen overmacht. En ik ben niet iedereen. Meende ik. Je jengelde niet. Ik jengelde. Het grote zelfmedelijden, dat ik honend had aanschouwd bij anderen, had me eindelijk in zijn klauwen.
   Weer een terrein om middelmatig op te zijn. Waarvoor dank, schatteboutje.




Buitenaards wezen

Gisteravond, voordat ik naar bed ging, schoor ik mezelf. De laatste keer was ergens voor de Kerst. Mijn baardgroei is bescheiden – de baardgroei van een wijf, grapte ik vroeger, toen ik nog een voormalig gereformeerd collega had die mij het gevoel gaf dat het een enigszins choquerend grapje was. Hem mis ik niet, maar dat gevoel wel. Als het choqueren je niet van nature afgaat, is het zaak een publiek te zoeken dat aan een half woord genoeg heeft.
            Overigens vond die collega het hele leven choquerend. Dat drong pas tot me door toen ik een keer bij hem thuis kwam en zag dat hij zijn flessen drank bovenop een hoge kast legde, uit het zicht. In eerste instantie dacht ik dat hij een liefde voor overmatige alcoholconsumptie probeerde te verbergen. Maar navraag leerde dat hij de naakte aanblik van flessen buitenlands gedestilleerd choquerend vond. Alsof het een collectie pornografie betrof. Vervolgens vond hij het bijna even choquerend dat ik die mening niet was toegedaan.
            Het was aangenaam om zijn universum te betreden. Om even een buitenaards wezen te zijn.
           Ik verlang er nog wel eens een buitenaards wezen te zijn, maar de voormalig gereformeerde collega emigreerde een paar jaar geleden naar een ander continent. Verder is mijn leven bevolkt met soortgenoten. Ooit moet me dat een goed idee hebben geleken.