Dikke machinist: ‘We rijden niet verder, want er is iemand voor de trein gesprongen.’
Grijze man: ‘O ja? Gebeurt dat vaker?’
Grijze vrouw: ‘Dat komt door het weer, hè.’
Dikke machinist: ‘Ongeveer drie keer per week.’
Grijze man: ‘Sjongejonge.’
Grijze vrouw: ‘Ja, het is weer herfst, hè. Dan krijg je dat.’
Na tien minuten wist ik dat ik een groupie had op de derde rij. Je ziet
het aan de ogen. Ik wist dat de groupie zo meteen zou opstaan en me een
vraag zou stellen. In de pauze na mijn presentatie zou de groupie naar
me toe komen en een monoloog houden. Mijn groupies houden graag
monologen.
De VIHB legde me ooit uit dat ze verliefd op me werd omdat ik nerderig en sexy tegelijk was.
Er is een groep mensen die daar ook erg gevoelig voor is: ingenieurs
rond de pensioengerechtigde leeftijd – dat zijn mannen die zich tot hun dood
blijven voorstellen door te vertellen wat ze gestudeerd hebben.
De man op de derde rij stak zijn hand op. Het halogeenlicht van de
seminarzaal maakte zijn strak gekamde grijze haar bijna wit. Hij tuitte
even zijn lippen.
‘Ja,’ zei ik. Ik knikte naar de man.
‘Mijn naam is Van Puffelen,’ zei de man. ‘Ik heb
oorspronkelijk elektrotechniek gestudeerd in Delft en werk bij de
directie Strategische Capaciteitsplanning van het ministerie van
Belangwekkende Zaken. Het valt me op dat er vandaag zo weinig aandacht
is voor de techniek. U bent de eerste die daar iets over zegt.’
Aan de andere kant van de zaal riep iemand: ‘Ik vind
juist dat we teveel over techniek praten.’ Dat was een econoom.
De ingenieur hoorde hem niet. Of hij had op het
ministerie geleerd net te doen alsof je economen niet hoorde. De
ingenieur leefde waarschijnlijk aan de onderkant van de bureaucratische
voedselketen en dan is negeren een onontbeerlijke overlevingsstrategie.
Hij ging verder: ‘Er is de laatste jaren veel te weinig aandacht voor
de technologische ontwikkelingen op dit terrein. In het buitenland zijn
ze daar al veel verder mee. Daar gaat het heel hard. Wij lopen de boot
enorm mis, als we niet oppassen.’
Persoonlijk vind ik het een geruststellend idee –
dat we elke dag allerlei boten missen, lopend of anderszins. Ik blijf
liever thuis.
‘Wat is uw vraag precies?’ interrumpeerde de voorzitter.
‘Nou, ik wil graag weten of de spreker ook vindt dat
er veel te weinig wordt geïnvesteerd in onderzoek en technologische
ontwikkelingen.’
Ik krijg altijd dezelfde vraag van mijn groupies:
een verzoek om in te stemmen met iets wat ze al vinden. Ik antwoordde
dat je niet aan een wetenschapper moet vragen of er genoeg onderzoek
wordt gedaan.
De zaal gniffelde.
In de pauze liep ik naar het toilet. Toen ik de deur van de toiletruimte losliet, werd deze opgevangen door de groupie.
Ik glimlachte even naar hem, ging voor een urinoir staan en ritste mijn broek open.
‘U had een heel scherp verhaal, zojuist,’ zei de
groupie, terwijl hij zijn broek openritste. Hij keek naar me over het
kleine zwarte schotje tussen ons.
‘Dank u,’ zei ik.
Ik concentreerde me op mijn urinebuis.
Enkele seconden lang stonden we met onze geslachten in de hand te wachten op urine.
Toen de urine was gearriveerd, zette de man zijn
betoog voort. Het ging langs me heen. Ik kan niet multi-tasken rondom
ontlasting. Een beetje lezen lukt nog net.
Toen we weer naar buiten liepen sprak hij weer, of nog steeds, over de
snelle technologische ontwikkelingen in het buitenland. ‘De techniek
verandert zo snel en wij hebben nog steeds dezelfde spullen staan als vijftig
jaar geleden.’
Ik vroeg wat de meest veelbelovende nieuwe ontwikkelingen waren.
Zonder een moment te twijfelen antwoordde hij: ‘Kabels.’
‘Aha,’ zei ik.
De man knikte.
Het bleef even stil.
Ook voor mij is negeren onontbeerlijke
overlevingsstrategie. Ik keek om me heen naar mensen die ik kon
aanklampen.