Het grote aanstellen

We zaten in een restaurant – W., D. en ikzelf. Een dag eerder was W. 44 jaar geworden en hij had al eerder toegegeven dat een onprettige gedachte te vinden, 44 jaar te zijn.
    De laatste jaren oefenen we in het toegeven. Drie mannen die de zelfopgelegde plicht zich niet aan te stellen, proberen de ontmantelen. Dat is zo gênant als het klinkt.
    Ik ben gehecht geraakt aan het gênante en vond dat het gesprek over het 44 jaar zijn te kort geduurd had. Of liever: niet pijnlijk genoeg was geweest. Dat had ik zien aankomen, dus ik had D. gevraagd om foto’s mee te nemen van de eerste jaren dat we W. kenden. Zelf had ik dat ook gedaan.
    Ik zei dat we even gingen rouwen om W.’s leven dat voorbij was en om alle levens die hij niet meer zou leiden. We bladerden door de foto’s en zagen onszelf.
    Op enkele stond ik zelf prominent in beeld. Het viel me op dat ik vroeger aantrekkelijk was geweest, ik kon er niets anders van maken.
    Toen D. op de achterkant keek van een foto, zag hij dat vroeger slechts acht jaar geleden was.
    Ik ben snel oud geworden, zei ik.
    Het is echt ongelooflijk, zei W.
    D. vond dat het wel meeviel.
    Nee, zei W. Het valt helemaal niet mee.
    Nee vooruit, zei D. Het valt inderdaad niet mee.
    Het was gênant allemaal, maar we boekten vooruitgang, dat viel niet te ontkennen. Het grote aanstellen lag binnen handbereik.





Tien geboden

Net voorbij de drogist stonden twee jongens en een meisje met klemborden. Of ze me iets mochten vragen over de tien geboden. Dat mocht.
    ‘Dank u wel,’ zei de kleinste jongen. Ik schatte hem op een jaar of dertien. Zijn kleding bestond uit een verzameling verwassen kleurvlakken zonder enige referentie aan een modetijdperk.
    ‘Vraag 1.’ De jongen tuurde fronsend naar zijn vragenlijstje. Het was in zijn eigen handschrift geschreven op een ringbandvelletje met blauwe lijntjes.
    ‘Wat vindt u van,’ souffleerde het meisje.
    ‘O ja. Wat vindt u van de tien geboden?’ vroeg de jongen opgelucht.
    Ik zei dat ik het een wat algemene vraag vond.
    De jongen knikte ernstig en noteerde een paar woorden op het ringbandvelletje. Daarna keek hij me vriendelijk, maar afwachtend aan. Ik schoot in de lach, omdat hij me nu een mening ging ontlokken over de tien geboden.
    ‘Het zijn algemene gedragsregels waarvan een deel nog steeds relevant is,’ zei ik.
    Nu begonnen ze alle drie te schrijven.
    Ik kreeg de indruk dat mijn antwoorden terug gerapporteerd gingen worden aan een hogere instantie. Misschien zou er in een kringgesprek met mededogen over mij en andere welwillende ongelovigen worden gesproken.
    ‘Is dat een goed antwoord?’ vroeg ik.
    De jongen keek vragend naar zijn collega’s. Er werd voorzichtig ingestemd.
    ‘U bent de eerste aan wie we de vragen stellen,’ zei hij bij wijze van toelichting.
    Toen kwam vraag 2. ‘Kunt u de tien geboden opnoemen?’
    Na niet moorden en niet liegen, werd het moeizaam.
    ‘Er is er eentje dat je niet je andermans vrouw en bezittingen mag begeren, of iets van die strekking.’
    De jongen keek me onbegrijpend aan.
    ‘Ja ja, dat is er een, geloof ik,’ fluisterde het meisje.
    De jongen noteerde met een zekere terughoudendheid alsnog mijn antwoord.
    Ondertussen was de andere jongen aan het bladeren in zijn papieren.
    ‘Wij kennen ze zelf ook niet,’ zei de kleine jongen.
    Samen bekeken we het velletje met de tien geboden.
    ‘Geen overspel plegen, die bedoelde u,’ zei de jongen.
    ‘Nee,’ zei ik. ‘Ik bedoelde deze: Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw.’
    De jongen las de andere geboden voor, ook die over het niet aanbidden van andere goden. Toen vroeg hij: ‘Gelooft u in meerdere goden?’
    Ik zei van niet, maar later dacht ik: alleen als je in God gelooft, geloof je niet in meerdere goden. Ik aanbad teveel goden, dat viel niet te ontkennen.





Een poppetje kleuren

Als we de deur uit gaan, zegt Vera dat ze niet zelf wil fietsen. Kom op, zeg ik.
    Even later fiets ik naast haar langs het donkere water van de Schie, in de richting van de roze streep ochtendlucht die boven de school hangt.
    ‘Iedereen zegt dat ik klein ben voor mijn leeftijd,’ zegt ze. ‘Maar ik ben niet klein voor mijn leeftijd. Ik ben gewoon.’
    ‘Zeker.’
    ‘Waarom zeg jij altijd zeker?’ vraagt ze wantrouwend.
    ‘Ik geef je gelijk.’
    ‘Iedereen in de klas is groter, maar die kinderen zijn ook ouder dan ik.’
    ‘Inderdaad.’
    Even maalt ze zwijgend omhoog naar de Tweemolentjeskade.
    Als we boven zijn, zeg ik: ‘Weet je, ook als je een beetje klein bent voor je leeftijd, ben je gewoon. Het gaat maar om hele kleine verschillen. Bovendien is iedereen anders. Kleiner, groter, slimmer, grappiger, sneller, sterker.’
    'Ja-haa. Dat weet ik allang. Dat hebben we bij HVO al gehad.’
    HVO is humanistische vorming en iets met een o. Ooit moesten we een formulier invullen om toestemming te geven dat ze daaraan zou meedoen. Mijn vrouw heeft overwogen die toestemming te onthouden.
    ‘Wat heb je bij HVO gehad?’
    ‘Dat iedereen anders is. Toen moest we een poppetje kleuren.'
    ‘Aha.’
    Dan beklimmen we het heuveltje bij de Koepoortbrug. Het laatste stukje trek ik haar. Vlak voor we linksaf slaan, in de richting van het schoolplein, zegt ze: ‘Jammer dat we al bij school zijn, ik zou nog veel langer willen fietsen.’





Smali en baksmali

Toen ik langzaam wakker werd, voor de wekker, waren de eerste woorden die tot me doordrongen: smali en baksmali. Het duurde even voor ik besefte waar mijn hoofd aan had gewerkt, in mijn afwezigheid.
    Gisteravond had ik urenlang rondgehangen op xda-developers.com. Mijn nieuwe telefoon draait Android en ergens in de paar weken die ik met het toestel heb doorgebracht heeft zich een ambitie in mij genesteld: ik wil een aangepaste email-widget – dat is venstertje op het thuisscherm waarin mijn zakelijke inbox direct zichtbaar is. Zwart op wit is de standaardvormgeving, ik wilde wit op doorzichtig.
    Sommige ambities zijn een vorm van masochisme.
    Het leek me dat iemand dat al gemaakt moest hebben. Eerst zocht ik naar een geschikte app. Lang verhaal kort: was er niet, mede omdat ik de nieuwste versie van Android heb.
    Maar dan zijn er nog de knutselaars. Op xda-developers.com is een thread van 304 pagina’s and counting waarin zo ongeveer elke denkbare widget doorzichtig is gemaakt en van bijpassende tekstkleuren wordt voorzien.
    Maar de mensen deze tweaks schrijven, zijn zelf geen gebruikers van programma’s voor zakelijke emailaccounts. Dat is software voor oude mannen in grote kantoorgebouwen. De widgets voor Facebook, Twitter en Gmail waren allang aangepast.
    Ik vroeg op de site of iemand de email-widget voor me wilde aanpassen. Ja hoor, zeiden twee mensen – want zo’n site is het. Een paar dagen later gaven ze het op. Het bleek ingewikkelder dan de andere widgets, omdat het dieper in Android was ingebed. Het was ongetwijfeld oplosbaar, maar ja, ze gebruikten het emailprogramma zelf niet. Dus.
    Bij elke stap in dit proces, probeerde ik af te haken. Ik bespotte mijn verlangen naar een gestroomlijnd thuisscherm. Ik hield mezelf voor dat ik geen tijd heb voor deze flauwekul. Ik probeerde met nieuwe waardering te kijken naar de standaardwidget. Hij kende misschien enkele esthetische beperkingen, maar er was best goed over nagedacht.
    Het hielp niet. Ik werd steeds verder naar de dark side gezogen.
    En zo bekeek ik gisteravond hoe je apk’s kunt decompilen, xml kunt bewerken in een disassembler en wanneer je resources.arsc moet verwijderen voordat je gewijzigde code via de abd tool terug kunt pushen naar de geroote telefoon. O, en hoe je smali en baksmali gebruikt om machinecode aan te passen.
    De afgelopen twee dagen had ik, voor het eerst in maanden, weer tijd om aan mijn roman te werken. In eerdere perioden werd ik wel eens wakker werd met een idee voor een scene of een personage. Nu droomde ik over smali en baksmali. Gelukkig moest ik de kinderen uit bed gaan halen.





Het mooiste

Vandaag werden de tuindeuren vervangen. Het aannemersbedrijf stuurde Chris – een oudere man met een goudkleurig brilmontuur en een glimlach waarachter een opeengehoopt gebit schuilging dat elke orthodontische bemoeienis had weten te ontlopen.
    Jules en ik zaten in onze winterjassen in de woonkamer, terwijl de vermolmde deuren uit hun scharnieren werden geschroefd.

deuren

    Ik had allerlei dingen te doen, maar ik stond een groot deel van de tijd het werk te aanschouwen. Vakwerk heeft een hypnotisch effect. Ik vermoed dat veel klusprogramma’s op televisie daarop gebaseerd zijn. Het oogt eenvoudig, binnen handbereik zelfs, en tegelijkertijd is het onnavolgbaar in zijn precisie. Het effect is niet afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de handeling, maar van het feit dat je iets met een zekere perfectie ziet ontstaan uit het niets. Tijdens het aanbrengen en straktrekken van de kitnaden ging ik dicht bij hem staan, aan de andere kant van het glas. Jammer genoeg waren er maar acht naden te kitten.
    Een jongere collega kwam een paar tochtstrippen brengen. ‘Hé Chrissie,’ zei hij bij binnenkomst.
    ‘Dag,’ zei Chris.
    ‘Alles goed hier?’
    ‘Ja hoor.’
    De jongeman babbelde wat tegen hem, maar Chrissie was niet van het babbelen. De jongeman wist dat en keek met een ironische en warme glimlach naar de man die inmiddels de tochtstrips op maat aan het zagen was.
    ‘Nou, dan ga ik weer.’
    ‘Ja.’
    Tijdens de koffiepauze vroeg ik hem hoe lang hij al bij het bedrijf werkte.
    Er kwam geen reactie. Hij roerde zwijgend in de koffie.
    ‘Ik moet even nadenken,’ zei hij ineens. ‘Achttien jaar.’
    ‘Ik werk toevallig ook achttien jaar bij hetzelfde bedrijf,’ zei ik.
    ‘Eigenlijk is het pas achttien jaar in oktober,’ zei hij. ‘Dus zeventien jaar.’
    Hij vertelde dat hij vanwege ruzie tussen de twee eigenaren was weggegaan bij het vorige bedrijf, zeventien jaar geleden.
    ‘Hier doe ik hetzelfde werk als daarvoor. Dat is natuurlijk het mooiste, als je hetzelfde werk kan blijven doen.’
    ‘Ja, is dat het mooiste?’
    Hij keek op van zijn koffie met een frons, de enige die ik deze dag te zien kreeg. ‘Ja, natuurlijk.’





Een behaaglijk gevoel van dreiging

Op weg naar Monschau begon het te sneeuwen. De koplampen wisten maar een kleine doorgang te kerven uit het duistere kluwen van golvend en zwenkend asfalt, overhangende bomen en kolkende neerslag. Onze huurauto had geen winterbanden.
    Tot na Aachen had het een van die vormeloze dagen geleken die gestaag de aanduiding ‘winter’ aan het uithollen zijn. Ik had mijn vrouw afgesnauwd omdat ze iets vond van de snelheid waarmee ik reed. Toen hadden we nog een snelheid waar je iets van kon vinden.
    Inmiddels hing er een geconcentreerde stilte in de cabine. Ook de kinderen zwegen. Hun smeekbedes om de volgende snack, waarvan ze de aanwezigheid in de auto vermoedden, waren verstomd. Mijn vrouw zei af en toe iets geruststellends tegen me, met een stem die ze reserveert voor noodsituaties.
    Een minuut of twintig warmden we ons aan een behaaglijk gevoel van dreiging.
    Bij aankomst bij het huisje waar het familieweekeinde zou plaatsvinden, kwam mijn vader naar de auto gelopen. ‘Nou, goed gedaan, Van Eeten,’ zei hij.
    Later bleek dat hij, met winterbanden, langs een andere route was gekomen – een met een steile klim die ons waarschijnlijk teveel was geworden. Hij had niet gezien dat we van de andere kant kwamen.
    Het eerste uur hielden de kleinkinderen en ik een sneeuwballengevecht. Schimmen slopen door de tuin en meden daarbij de plasjes licht die uit de ramen van het huisje vielen.
    Vera, de jongste deelnemer, vond het niet leuk dat niemand haar probeerde te raken.
    Toen we weer binnen waren, kwamen de spelcomputers uit hun hoesjes. Andere kinderen arriveerden, haalden hun eigen spelcomputers uit de tas en parkeerden zich zwijgend naast hun soortgenoten. Soms ruilden ze hun apparaten en brachten ze het poppetje van hun neefje of nichtje naar het volgende niveau.
    De volgende dag begon te dooien. De regen kleurde groene plakken in de velden.
    Mijn broer kocht een flatscreen-televisie in een enorme supermarkt aan de rand van een naburig dorp. Het oude televisietje dat in het huis stond, weigerde het signaal van de Wii. ‘Ik moest er toch nog eentje kopen,’ zei hij. In het winkelwagentje stond de doos met het scherm ingeklemd tussen de melk, pindakaas en sterke drank.
    De hele avond werd er getennist en gedanst voor de televisie. Alleen de oudste kleinzoon doorbrak de verdeling van mannen en vrouwen door met beide mee te doen. Hij versloeg alle vrouwen met het dansen. Zijn lichaamsbewegingen vertoonden geen enkele correspondentie met de muziek. Dat deed niemand hem na.
    Toen we naar huis reden, in een landschap dat van duister en mysterie was ontdaan door hard grijs licht en druilerigheid, vroeg mijn vrouw: ‘Wat was nou het verhaal van die flatscreen?’





Voor mijn gebit was het al te laat

Bij het kauwen op een hap cruesli brak een hoekje van een kies af. Dat was niet voor het eerst. Elk jaar breekt er ergens in mijn gebit iets af, dat gaat al een tijdje zo.
    Ik herinnerde me hoe ik vroeger bij het aanrecht van mijn ouders veinsde dat ik mijn tanden poetste. De schemerige keuken werd door een grijze harmonicadeur gescheiden van de woonkamer, waar mijn ouders televisie zaten te kijken. Ik zette de kraan aan, deed tandpasta op de borstel en bewoog vervolgens met de borstel langs de binnenkant van de spoelbak. Het schurende geluid moest poetsende activiteit suggereren. Ik maakte het geluid ongeveer even lang als ik meende dat een poetsbeurt zou duren.
    Om redenen die ik niet kan achterhalen, drong niet tot me door dat het ontwijken van het poetsen evenveel moeite koste als het poetsen zelf.
    Toen ik in de vierde of vijfde klas zat van de lagere school, stopte er een grote witte bus voor de ingang van de speelplaats. Er bleek een tandartspraktijk in de zitten. Elk kind werd opgeroepen. Ik weet niet hoe lang ik in die bus heb gezeten, maar ik kwam er uit met negen vullingen. Terug in de klas, liet ik dat getal met enige trots vallen. Het respect waar ik op hoopte, bleef uit.
    Ik bleef slecht poetsen, ook op de middelbare school. Dat veranderde pas toen een trompetiste bij harmonie zei dat ik uit mijn mond stonk. Ze maakte er verder geen ophef over. Ze zei het en daarna hadden we het over iets anders. Een jaar of twee later, zou ik haar voor het eerst zoenen.
    De harmonie heeft in allerlei opzichten mijn leven gered, maar voor mijn gebit was het al te laat.





Mensen waar ik vroeger bang voor was

Al maanden werk ik aan een aanvraag voor een Europese onderzoekssubsidie. Ik vroeg zes universiteiten en een bedrijf om mee te doen. Inmiddels ben ik dertigduizend woorden verder – en 28 tabellen, negen figuren, een PERT diagram en een GANTT diagram.
    Ik heb Europese subsidies altijd gemeden, om uiteenlopende redenen. Die luxe kan ik me niet meer permitteren.
    Morgen is de deadline. Ik werkte het weekeinde aan het vervolmaken van alle werkplannen. Een onwaarschijnlijk priegelwerk met Milestones en Deliverables. Ik raakte in een soort trance.
    Net toen alles gereed was, kreeg ik een mail van een onderzoeker uit Cambridge, de wereldwijde autoriteit op het gebied van de aanvraag. Hij wilde toch meedoen.
    Mijn vrouw vroeg hoe het ging. Ik vertelde dat ik de werkplannen, begrotingen en een paar diagrammen moest overdoen omdat Cambridge ineens was ingestapt.
    ‘Zijn dat de mensen waar je vroeger bang voor was?’ vroeg ze.
    Het waren inderdaad die mensen.
    ‘Waarom lach je me uit?’ vroeg ze.
    Ik zei dat ik haar niet uitlachte. Ik was het vergeten. Een ogenblik voelde ik heimwee naar die angst.





Bahco

Ik had mijn pyjama al aan, toen mijn vrouw vroeg of ik haar fietsstuur even wilde vastzetten. Ze stond op het punt met de buurvrouw naar de film te gaan.
    ‘Het is een kwestie van de bout bovenop het stuur even aandraaien, met de bahco,’ zei ik.
    ‘Ja?’ zei ze. Het leek er niet op of ze iets ging doen met die informatie.
    ‘Heb je geen enkele wens tot enige zelfredzaamheid op dit terrein?’ vroeg ik. Het was een eerlijke vraag. Als ik moet kiezen tussen een bout aandraaien of iemand vragen om een bout aan te draaien, dan zal ik altijd de bout aandraaien. Iedereen komt vroeg of laat op een punt waar hulpbehoevendheid vernederend wordt. Bij mij ligt dat punt wellicht wat vroeg.
    Ze kwam naast mijn stoel staan, bukte voorover en gaf me een aai. ‘Schatje, ik wil van alles, maar dit soort dingen laat ik even lopen.’
    De buurvrouw klopte op het raam.
    Mijn vrouw deed de voordeur open.  Ze zei dat ze klaar was om te gaan, maar dat ze eerst het stuur nog moest vastzetten. ‘Michel vindt dat ik eens wat minder afhankelijk moet zijn.’
    ‘O, dan zetten we dat toch even vast,’ zei de buurvrouw.
    ‘Met de bahco,’ zei mijn vrouw.
    ‘Ja, ik weet wel welke dat is.’
    Ze namen afscheid en trokken de gangdeur achter zich dicht.
    Ik hoorde gegraai in de gereedschapskist. Toen gingen ze naar buiten.
    Even daarna klonk weer gegraai.
    Buiten werd druk overlegd.
    Ik stond op en keek in de gang. De bahco lag nog in de gereedschapskist. Ik pakte hem en liep naar buiten. De vrouwen stonden met de griptang in de aanslag bij de moer die op het frame zit, aan de onderkant van de stuurpen.
    Ik schoof de bahco om de bout bovenop het stuur en draaide hem vast. ‘O, die bedoel je,’ zei de buurvrouw.
    Tevreden liep ik weer naar binnen. Dat is de gunst die de hulpbehoevenden ons schenken. Even heb je de ander niet in de weg gezeten.

Update: alle baco's vervangen door bahco's. Met dank aan IJsbrand: "Gevoeligheid van een oud-werktuigbouwer, maar die dingen heten bahco, van Bernt August Hjort & Company. Baco is Bacardi-cola."





Het offer

Het gerucht ging dat de decaan ‘zijn’ toilet – dat wil zeggen, het toilet naast zijn kantoor – liet opknappen. Er waren inderdaad mannen in overalls bezig achter een haastig opgetrokken wandje van spaanplaat. En dat in tijden van bezuinigingen en de dreiging van ontslagen. Er werd schande van gesproken.
    Een paar weken later bleek dat alle toiletblokken in het gebouw werden opgeknapt. Ook dat plan werd kritisch bejegend, zij het dat het klagers geestdriftiger hadden geklonken toen de decaan nog van dure privileges beschuldigd kon worden. Het tentenkamp op het Damrak in Amsterdam is nagenoeg verdwenen, maar de Occupy-beweging heeft enkele oude volkswijsheden nieuw leven ingeblazen: mensen die meer hebben, zijn verdacht. En: maatschappelijke tegenslag is het gevolg van de morele gebreken van een bepaalde groep.
    Het toiletblok dat ik frequenteer, is inmiddels ook opgeknapt. In eerste instantie zag ik geen verschil, behalve dat het toiletgarnituur nu van grijs plastic was, in plaats van wit. Pas veel later viel me het grijze apparaatje op in de nok van de toilethokjes. Een automatische toiletverfrisser.
    Ik besefte ineens dat ik al enige tijd geen toilethokje had hoeven mijden vanwege de geur van de vorige gebruiker. Soms, als het andere hokje ook bezet bleek te zijn, ging ik naar binnen met mijn neus begraven in de holte van mijn ellenboog. Maar dat hoefde niet meer.
    Nu hangt er een penetrante chemische lucht die je doet vergeten dat er andere mensen bestaan met dezelfde behoeften als jezelf.
    Het is geen vriendelijke gedachte, maar daar offer ik graag een medewerker voor op.





Een belediging voor de echte nerds

De kerstboom was afgebroken en teruggebracht naar het asiel. De keuken was aan kant, het speelgoed opgeruimd, de vuilnisbak geparkeerd aan stoeprand van de donkere straat.
    Ik was als enige wakker in het huis. Er lagen enkele uren tussen mij en het einde van de dag.
    Ineens dacht ik aan een filmpje dat we bij wijze van Kerstkaart hadden gemaakt bij een site genaamd JibJab. Op de site kon je gezichten uit eigen foto’s laten monteren op dansende figuren die overdreven veel plezier hadden in de feestdagen.
    Ik koos voor Disco Christmas. Voor mezelf selecteerde ik een portret waarop ik nogal gekweld keek. Dat zag er minder eng uit dan de breed lachende variant.
    Samen met de kinderen bekeek ik het resultaat. Het viel niet te ontkennen dat dit een alleraardigste Kerstkaart was. Overal ter wereld versterkte Disco Christmas de familiebanden en verhoogde het de feestvreugde.
    De kinderen kregen er geen genoeg van.
    Toen kwamen de buurmeisjes langs. Ik startte nog een keer het filmpje. De buurmeisjes gilden het uit.
    Vera reageerde geschokt. ‘Je mag niet lachen als mijn mamma in beeld is!’
    Dat ze zelf had meegelachen, vond ze niet relevant.
    Niemand mocht de kaart nog te zien krijgen. Want dan zou er nog meer gelachen worden.
    Na lang aandringen, mocht ik de kaart aan opa en oma sturen. Een paar minuten later kreeg Vera buikpijn. We stuurden nog een extra bericht met de uitdrukkelijke instructie dat er niet gelachen mocht worden.

We hadden dus een ongeziene Kerstkaart.
    Eigenlijk doen we niet aan Kerstkaarten. Dat is zo’n opmerking waarvan de treurigheid pas tot je doordringt wanneer je de toehoorder begripvol ziet knikken.
    Ik wilde het filmpje opslaan. Ik weet niet hoeveel Kerstkaarten nog gaan volgen, maar veel zullen het er niet zijn. Bovendien: een bedrijf dat zichzelf JibJab noemde, leek me weinig geïnteresseerd in zijn eigen overleving. Om dezelfde reden wacht ik al jaren op het moment dat Yahoo! zichzelf hernoemt tot Yahoo!1@!2!!!!, om enkele maanden daarna de tent te sluiten.
    De site bood de mogelijkheid om te kaart te downloaden, maar daar moest ik voor betalen, terwijl ik voor het maken van de kaart ook al een euro of tien had betaald. Dat vond ik ruim voldoende voor een kaart die nagenoeg niemand had gezien. Ik besloot de Flashvideo van het discofilmpje uit de site te slopen en te converteren naar een normaal bestand. Een aangenaam klusje waarmee deze dag tot een goed einde kon worden gebracht. Ik had al eerder video geript van Uitzending Gemist, Youtube en zelfs BBC iPlayer. Ik zou mezelf geen nerd noemen, maar dat is omdat ik echte nerds niet wil beledigen.
    Eerst neusde ik wat in de HTML-code van de pagina. Dat was te hoog gegrepen. De link naar het videobestand bleef verborgen.
    Na enige gegoogel, downloadde ik een programmaatje dat de code van dergelijke sites volgt tot uiteindelijk het echte videobestand op de proppen komt. Het programma meldde dat er geen video op de pagina te vinden was. Ik verwijderde meteen de software, maar er bleven wel enkele verdachte mappen achter.
    Een volgend programma vond wel video. Mooi. Tijdens het downloaden ervan, zag ik dat het bestand maar 6Mb groot was. Dat betekende een matige beeldkwaliteit. Maar goed, de tien euro, of wat de download officieel ook maar kostte, hield ik mooi op zak.
    Ik speelde het videobestand af. Tevreden hoorde ik de beginklanken van het disconummer. Toen kwamen de gezichten in beeld. Onze vier gezichten waren vervangen door die van een nogal manisch ogende meneer. Raar.
    Ik besloot nog een ander programma te proberen. Dat leverde weer dezelfde meneer op. Bij het verwijderen van het programma, volgde de melding dat de verwijdering helaas niet kon worden voltooid.
    Mijn vrije uren waren verstreken. De mensen achter JibJab hadden inmiddels mijn respect.
    Ik had nog een troef in handen, een onfeilbare oplossing, zij het met meer gedoe. Ik installeerde Camstudio om het filmpje op te nemen van het scherm. Dat kon niemand tegenhouden. Het duurde even voor ik begreep hoe het programma werkte. Ik nam het filmpje op. Het lukte, we dansten weer gevieren de Disco Christmas. Alleen deze keer in stilte. Camstudio bleek niet het juiste audiospoor te kunnen vinden.
    Een zeurende hoofdpijn maakte duidelijk dat elk einde nu een goed einde zou zijn van deze dag. Ik opende voor de zoveelste keer het filmpje op JibJab. En klikte op de link: ‘High Quality Download’. In een rode rechthoek verscheen de prijs: $1.99. Mijn avond bleek besteed aan het ontlopen van een rekening van een euro en achtenvijftig cent. Herstel: het tevergeefs ontlopen van een rekening van een euro en achtenvijftig cent.
    Zoals ik al zei: het zou een belediging zijn voor echte nerds.





Liven polizi

Door een samenloop van omstandigheden ontmoette Vera, onze dochter van zes, de plaatselijke politiecommandant. Ze overhandigde hem een brief die ze letter voor letter aan de computer had ontfutseld, met haar neus bijna op het toetsenbord speurend naar het juiste symbool.
Liven polizi   ik   zag    hel veel
Vuurweerk   naa  het  al  niwjar gwest was
Op deseu dag  egt  heel  veel
Groetjus   van vera
De commandant beloofde dat hij er nog beter op zou letten. Het was een rustige jaarwisseling geweest. Voor het eerst in lange tijd had de Mobiele Eenheid niet in actie hoeven komen. Misschien droomde de commandant van wetten die volgend jaar gehandhaafd konden worden.
   Een dag of twee voor oudjaar had mijn vrouw aan Vera uitgelegd dat je eigenlijk alleen op oudjaarsavond vuurwerk mocht afsteken. Toen was al te horen dat het verbod overal genegeerd werd. De volgende drie dagen reageerde Vera op elke knal die zich verhief boven het kabbelende geluid van een bescheiden militair conflict enkele straten verderop. ‘Stomme rotjongens!´
   De laatste tijd dringt het besef tot haar door dat allerlei overtredingen niet door straf worden gevolgd, dat je kunt doen waar je zin in hebt. Je hebt mensen die dat een bevrijdende gedachte vinden en mensen die zich bedreigd voelen door de mensen die dat een bevrijdende gedachte vinden.
   Ik vreesde dat ze me zou vragen naar buiten te gaan om er iets van te zeggen. Er zou een woordenbrij uit mijn mond zijn gekomen. De strekking zou haar ontgaan, maar niet mijn ontwijkende blik.
   Ik verlang regelmatig naar een politiestaat. Langdurige scholing en indoctrinatie heeft me afgeleerd dat verlangen te omarmen, maar daarmee is het nog niet gedoofd. Vandaag hoorde ik op de radio dat agenten steeds vaker hun wapen trekken. De nieuwslezer deed erg zijn best om dat als probleem voor te stellen.





Brevet van onvermogen

Frans Pollux schreef een stuk in De Limburger over populisme in de serie Het onbehagen van Limburg, waaraan ik eerder bijdroeg. Vandaag verschijnen er verschillende reacties op zijn stuk, waaronder het mijne.
    Ik hou er altijd een wat somber gevoel aan over, mijn opiniestukken. De mening is een schrale verschijning, de eigen nog het meest van al.

Het is nog nooit zo goed met ons gegaan, zegt Frans Pollux. En daarom is er eigenlijk geen grond voor het onbehagen. Waarom laten kiezers zich dat toch aanpraten?
    ‘Vervang onbehagen door honger, armoede, desnoods door xenofobie – en alles valt op zijn plaats,’ zegt Pollux. ‘Dat zijn concrete drijfveren voor kiezers en politici. Onbehagen is te vaag.’
    Inderdaad. Veel te vaag.
    Maar wacht even: je kunt de PVV veel verwijten, maar niet dat ze zich vaag uitdrukt. Het woord ‘onbehagen’ heb ik nog nooit over de lippen van een PVV’er horen komen.
    Wie heeft er wel de mond van vol? Juist, de tegenstanders van het populisme. Ze zijn dol op de term. Dat is niet zo vreemd. Eerst verzin je zelf dat mensen stemmen uit onbehagen, ook al heeft geen kiezer dat ooit gezegd, en vervolgens constateer je fijntjes dat die motivatie te vaag is. Goh, verrassend. Een poging tot diskwalificatie, meer is het niet.
    Pollux wil het onbehagen niet langer serieus nemen. Hij wil dus eigenlijk zijn eigen diagnose niet langer serieus nemen. Hij heeft gelijk. Laten we vanaf nu de term zien als een brevet van onvermogen. De eigen staart smaakte goed, maar het wordt tijd dat de tegenstanders hun tanden zetten in iets met meer voedingswaarde.

Tweede misverstand: Het is nog nooit zo goed met ons gegaan, dus we zouden wat meer tevreden moeten zijn. De achterliggende gedachte lijkt deze: de tevreden mens stemt niet op de PVV.
    Een rare gedachte. Veel verhalen van de PVV drukken juist intense tevredenheid uit met ons land. Het is een paradijs dat beschermd moet worden. Tegen moslims, Grieken, bankiers, asielzoekers, zakkenvullers, gedeputeerden met chauffeurs – de lijst is eindeloos.
    Dat is de paradox van het paradijs: zodra je bent gearriveerd, wordt je leven beheerst door de angst om er uit verstoten te worden.
    Die angst wordt niet alleen gevoed door de PVV. Elke partij schetst zijn eigen val uit het paradijs. De ene zegt dat we de pensioenrechten moeten beschermen tegen de afbraak, de ander juist dat we ze moeten terugschroeven als we ze willen behouden. De ene zegt dat de Euro ons naar de ondergang sleurt, de ander dat onze welvaart niet zonder de Euro kan. De ene zegt dat we de grenzen dicht moeten houden voor gelukszoekers, de ander dat we arbeidsmigratie juist nodig hebben om de voorzieningen te betalen voor de vergrijzende bevolking.
    Het hele politieke spectrum spreekt ons aan met hetzelfde motief: de val uit het paradijs loert overal.
    Hierin ligt ook de sleutel van een andere paradox, die onder andere door het Sociaal-Cultureel Planbureau is opgetekend: We zijn gelukkig met ons eigen leven, maar ontevreden over de samenleving. Die laatste zien we namelijk als bedreiging van het eerste. In de woorden van het SCP: ‘De Nederlander mist respect, fatsoen en solidariteit bij de medeburgers.’
    Respect, fatsoen en solidariteit. Ziedaar de waarden waaraan de populisten appelleren. Wat hebben moslims, immigranten, gedeputeerden-met-chauffeur en Zuid-Europeanen met elkaar gemeen? Niets. Maar in de mythologie van de PVV nemen al die groepen een loopje met de ‘hardwerkende Nederlander’. Veel van die mythes slaan feitelijk gezien nergens op. De Europese steunoperaties gaan naar onze eigen banken, niet naar de Griekse bevolking, om maar eens iets te noemen. Hoe onzinnig de tirades over luie Grieken ook zijn, de populisten werpen in talloze varianten dezelfde vraag op: wie helpt er mee onze samenleving overeind te houden en, belangrijker nog, wie niet? Dat is niet vaag, dat is de kern van politiek.





Een man kampt met zijn verlies

De bel gaat. Als ik de deur open, tref ik een man van een jaar of zeventig met een enigszins verwilderde blik.
    ‘Ik ben mijn bordje kwijt,’ zegt hij. ‘Ik ben van nummer vier.’
    Het klinkt als een verwijt.
    Denkt hij dat ik een of ander bordje heb ontvreemd?
    Laatst kreeg mijn vrouw een onbekende dame aan de deur die haar vuilnisbak kwijt was. Ze was boos. Mijn vrouw zei dat we haar vuilnisbak niet hadden. Daarop eiste de dame onze achtertuin te mogen doorzoeken. Met enige tegenzin, willigde mijn vrouw die eis in. Toen de vuilnisbak niet in onze achtertuin bleek te staan, bleef de dame onverminderd wantrouwend, alsof wij haar te slim af waren geweest en de bak vlak voor haar komst hadden verstopt. Zonder groet, laat staan verontschuldiging, verliet ze onze woning, op weg naar de volgende voordeur. Ik had de indruk dat ze minder overstuur zou zijn geweest als haar auto was gestolen.
    De man kijkt me strak in de ogen, maar ik weet niet of zijn blik wantrouwen of wanhoop verraadt.
    ‘Ik had hem helemaal opgekalefaterd,’ zegt hij. ‘Geschuurd en bijgewerkt. En nu kan ik hem niet meer vinden.’
    ‘Oké,’ zeg ik, wachtend op het moment dat hij de beschuldiging uitspreekt.
    ‘Ik ga ervan uit dat die nummers hetzelfde zijn.’ Hij wijst op het bordje met ons huisnummer: 14.
    Ik begrijp nu dat hij overstuur is omdat zijn huisnummer is verdwenen. Waarom ook niet. Bij dure spullen is de kans op verlies min of meer ingecalculeerd, het is de verdwijning van kleine huiselijke zaken die ons radeloos maakt.
    De hele straat heeft dezelfde bordjes, wellicht al sinds de oplevering in de jaren dertig. Voor het eerst kijk ik met aandacht naar ons huisnummer, in het bijzonder naar de 4. Een elegante vorm die me doet denken aan Art Deco.
    De man kampt met een verlies, maar ik weet niet precies welke vorm dat verlies aanneemt en in welke realiteit zich een en ander afspeelt. Denkt hij dat onze 14 een gestolen 4 bevat?
    ‘Ik had hem van de muur gehaald, geschuurd en opnieuw geschilderd,’ zegt hij. ‘En toen heb ik ‘m ergens neergelegd en ik weet bij god niet meer waar. Ik heb overal al gezocht.’
    Voor het eerst glimlacht hij. Verontschuldigend.
    ‘Dus nu wilde ik vragen of ik een keer een afdruk mag maken van uw huisnummer.’
    Zijn blik is ineens zachter, alsof hij opgelucht is dat het hoge woord eruit is.
    ‘Natuurlijk,’ zeg ik, eveneens opgelucht. ‘Gaat uw gang.’
    Hij rommelt wat in zijn jaszak. Ik ben benieuwd hoe hij die afdruk gaat maken.
    Maar er komt alleen een zakdoek uit de jas. Hij haalt 'm een paar keer langs zijn neus en begint dan omstandig het stukje textiel weer terug te frommelen in de jaszak.
    ‘Dank u wel,’ zegt hij. ‘Ik wens u nog een prettige dag.’
    Hij draait zich om en loopt weg, zijn hand nog steeds in gevecht met de nukkige zakdoek.





Maand dertig

Lieve Jules,

Je bent tweeënhalf en niet langer onzichtbaar. Terwijl we door de winkelstraat lopen, stoppen oude mensen hun rollators, stoten tienermeisjes elkaar vertederd aan en glimlachen de in stilte rokende vakkenvullers. Het zijn je blonde krullen. In het gebied boven je oren lijken diverse natuurwetten tijdelijk te zijn opgeschort.
    Je trok altijd al aandacht, maar sinds kort merk jij het ook. Tot je eigen schrik.
    Zodra je je bekeken weet, maak je abrupt een haakse bocht, weg van de toeschouwer, je blik beschaamd naar de grond gericht.
    De haakse bocht bracht je vanochtend in aanraking met een vogelhuisje dat voor de dierenwinkel stond. Je tolde een keer om je as, hervond je evenwicht en vond toen een veilig onderkomen aan mijn been. Je mompelde: ‘Isse hogel-uisje.’
    Een stukje verderop leidde je manoeuvre dwars door de fiets waarmee ik naast je liep. Je botste, kon niet verder en besloot toen maar je gezicht in mijn kruis te begraven.
    Zo stonden we een ogenblik intiem verenigd in de winkelstraat. Het was fijn. Intimiteit is schaars. Je moet je niet laten afschrikken door een paar toeschouwers meer of minder.
    Ik aaide over je blonde krullen en glimlachte naar de Oost-Europese verkoopster van het Straatnieuws. Elke week passeren we haar en nog nooit heb je haar avances beantwoord. Ik voel me verplicht dat te compenseren. Vermoedelijk speelt daarin een zekere ongemak mee over het contrast tussen jouw Arische welvarendheid en haar leerachtige huid en verteerde gebit.

Je verlegenheid op straat staat niet op zichzelf. Je hebt je ineens ontpopt als zachtmoedig wezen. Tegen de afspraak in, zou ik haast zeggen.
    We hadden je ingeschat, nee gecast, als de oproerkraaier, de dwarsligger, het ongeleide projectiel. Het vertelt zo makkelijk. Ouderliefde laat zich niet navertellen. Bij wijze van surrogaat cultiveren vaders en moeders de anekdote. Het is een van de redenen waarom ze gehaat worden door grote delen van de bevolking.
    Anekdotes over het eigen kind lijken nog het meest op de moppen die kinderen verzinnen. Je zus vertelde laatst haar eerste zelfverzonnen mop: ‘Er rijdt een auto over het strand. Toen rijdt hij ineens in de zee. En toen deed iemand het raampje open en kwam er allemaal water naar binnen!’ Einde mop. Lachsalvo gratis bijgeleverd. Uit de mond van een zesjarige klinkt dat aandoenlijk, uit die van een vijfendertigjarige als een haiku van wanhoop.

Je zachtmoedigheid kwam tegelijk met je taalvaardigheid. Je kunt uitdrukken wat je wilt. De top drie: meesjouw (speentje), bieman de bieman kijken (Buurman en Buurman kijken), sjoepsje (snoepje).
    Als ik je verzoek afwijs, stort je ter aarde. Tot zover niets nieuws. Het verschil is dat er geen gekrijs volgt. Je ligt zwijgend op de grond – op je buik, knieën onder je lijf, armen om het hoofd geslagen. Alsof je gelaten wacht op het einde van een raketaanval.

Het viel me pas laat op, je zachtmoedigheid. Je zus stond onder voortdurende observatie, jij niet. De aandacht verslapt. Dat heeft niets met jouw charmes te maken. Die zijn aanzienlijk. Maar het gevoel van dreiging ontbreekt.
    Bij je zus loerde dat overal. Ze at prima, maar at ze wel genoeg? Of juist teveel? Of de verkeerde dingen? Elke dag werd in minutieus detail besproken om problemen vroegtijdig op te sporen.
    Jij eet voor geen meter, wat we ook serveren. Je kijkt naar je maaltijd zoals anderen naar moderne kunst kijken: blijkbaar voelde iemand zich geroepen om het te fabriceren, maar van jou hoeft het allemaal niet zo.
    En wij? We zuchten hooguit een keer en gaan over tot de orde van de dag. Het zal allemaal wel goedkomen.
    Aandacht is gestileerde angst, zoveel is duidelijk. Dat is tussen volwassenen niet veel anders. Je moeder hangt de theorette aan dat een huwelijk gedijt bij het besef dat de ander altijd kan vertrekken. Ik denk dat ze daar gelijk in heeft. Het is de onvoorwaardelijke liefde die je de das omdoet.





De hoer die ik vermoed te zijn

Een redacteur van het programma Nieuwsuur wilde bellen om mijn visie te krijgen op het conflict onder de vakbonden.
    Ik weet nagenoeg niets over vakbonden. Toch had een van de betrokkenen mijn naam genoemd. Dat bleek hij ook al in de uitzending van Buitenhof te hebben gedaan, hoorde ik later.
    Er staan heel veel karretjes te wachten op iemand die ervoor gespannen kan worden. Liefst een professor. Onder mannen met karretjes heeft de wetenschap niets aan gezag ingeboet.
    Omdat ik dus nagenoeg niets weet over vakbonden, is het eenvoudig om te zeggen: Nee, dank u. Geen interesse.
    Behalve dat het niet eenvoudig is. Ik wil ook wel eens aanschuiven bij Nieuwsuur. Een verlangen dat even simpel als beschamend is.
    Het staat helaas niet op zichzelf. Ik ben iemand geworden die zichzelf graag hoort praten, zo ontdekte ik recent. Een vloek is het, zij het een van de meer draaglijke. Voor mijzelf dan.

Om te bewijzen dat ik niet de hoer ben die ik vermoed te zijn, nam ik me voor Nieuwsuur niet terug te bellen. Met een beleefde e-mail zou ik het verzoek van de redacteur afwijzen.
    Na dat besluit, stuurde ik niet meteen de e-mail.

Een uur later belde ik alsnog de redacteur. Op de achtergrond lag mijn zelfrespect omstandig te creperen.
    De vrouw nam op en ik noemde mijn naam.
    ‘Met wie spreek ik?’ vroeg ze.
    Ik noemde nogmaals mijn naam.
    ‘Met wie?’
    Toen hield ik een ogenblik mijn mond.
    ‘Sorry, maar u moet me even helpen. Waar belt u voor?’

Enkele seconden later vatte ze de situatie als volgt samen: ‘Ik moet dus iemand anders hebben.’
    Ik zei: ‘Inderdaad.’
    Behalve dat ik dat niet zei.
    Wel zei ik: ‘Dat hangt er van af wat u precies wilt weten.’
 
Veertig minuten later, na een woedende ontleding van het conflict onder de vakbonden, besloot de redacteur dat mijn analyse bijzonder interessant was. Dat dacht ik ook.
    Toen kwam de vraag: ‘Zou u dit in de uitzending willen komen vertellen?’
    Ik haalde opgelucht adem en zei: ‘Het lijkt me beter van niet.’





Seks met vrouwen die kinderen hebben gekregen

Ik had een poosje voor me uit gestaard in het stille huis, toen mijn vrouw belde. Ze stond op de stoep van het restaurant waar ze met een jonge collega was gaan eten. De man had beweerd dat seks minder aangenaam was met vrouwen die kinderen hadden gekregen.
    ‘Zo hoor je nog eens wat,’ zei ze.
    Toen kwam de vraag: ‘Is het echt waar?’
    Ik zei dat zijn steekproef vermoedelijk niet deugde.
    Ondertussen probeerde ik me de collega voor de geest te halen. Ik zag de gezichten voor me van twee beleefde jongemannen die ooit op kraambezoek waren geweest: een slungelige bestuurskundige en een aantrekkelijke veganist. Een van hen moest het zijn. In beide gevallen leek het me aannemelijk dat hun steekproef onder moeders van gebrekkige kwaliteit was.
    Mijn vrouw zei dat de midlifecrisis acuut was uitgebroken. Aan het einde van het telefoongesprek begreep ik dat de midlifecrisis naar het café werd meegenomen om aldaar verder behandeld te worden met alcohol. Misschien hoopte de collega nog wat bewijs tegen zijn eigen stelling te verzamelen. Zelfkritiek is een nobele onderneming.

Hoe het daar ging, vroeg ze. Het ging goed, zei ik.
    Er viel een korte stilte. Misschien wachtte ze op een detail, op iets dat deze dag had gebracht.
    Er was veel en niets.
    In de groentetas had spitskool gezeten. Het is het beste om dat maar meteen achter de rug te hebben. Dus aten we spitskool.
    Ik had de bordjes van de kinderen opgeschept, het water in de glazen geschonken, mijn eigen bord opgeschept en toen ik mijn stoel had aangeschoven meldde Jules laconiek dat ze klaar was met eten. ‘Ik ook,’ zei Vera.
    Normaal volgt dan een decreet over een paar hapjes proeven en op de billen blijven zitten. Maar in plaats daarvan zei ik dat het goed was.
    Er drongen zich rekensommen aan me op. Hoeveel eten was er nog over en wanneer zouden we wat en hoeveel eten. Een eerste schatting suggereerde dat ik zo rond zondag de spitskool weer uit de koelkast zou halen en de gang naar de GFT-container zou maken.

Na het eten vroeg Vera: ‘Kunnen we nu op de webs, pappa?’
    Tijdens een aflevering van Sesamstraat had ze gezien dat er een wedstrijd was. Ze wilde meedoen. Samen keken we naar de opgave: nieuwe kleren verzinnen voor Ienemienie, Tommie en Pino. Je mocht tekenen of zelf achter de naaimachine. De vrouw die de wedstrijd introduceerde stond in een ruimte boordevol met kleren. De strekking was duidelijk: deze wedstrijd zou uitgevochten worden tussen een paar creatieve overachievers.
    Vera ging meteen aan de slag met het waskrijt.
    Toen ze de tekening van het truitje voor Ieniemienie in de lucht hield, zei ik dat het prachtig was. ‘Misschien mag ik dan ook wel langskomen bij Sesamstraat,’ zei ze met grote ogen, alsof de gedachte haar overweldigde.
    Terwijl ze zich op het volgende vel stortte, haatte ik een ogenblik de mevrouw in de ruimte vol met kleren en verder iedereen die creatief was en haar kansloos zou laten.
    Daarna schreef ze een verjaardagskaart voor een vriendje. Livu Anne, guveeriziteert. Dat maakte zoveel indruk op me, dat ik er van schrok. Alsof ik haar achter het stuur van een auto had aangetroffen. Ze is pas vier weken op de basisschool. Wat doen ze in hemelsnaam de rest van die zes jaar nog?

Toen ik mijn vrouw een fijne avond had gewenst, ging ik naar bed. Op weg naar de slaapkamer keek ik bij de kinderen. Jules had het dekentje tot in haar oksel opgetrokken. Ook dat maakte indruk. Ze is bijna tweeënhalf en de deken is niet langer een willekeurig object dat ze tegenkomt tijdens haar nachtelijke kruipgang langs alle hoeken van het bed.

Vanochtend zei mijn vrouw, vlak voor ze met Vera het huis verliet, dat de collega was blijven slapen.
    Een kwartiertje na haar vertrek meldde de collega zich frisgewassen in de keuken. Het bleek de slungel te zijn. Van de slungeligheid was weinig meer te zien.
    Hij stelde zich aan me voor en vroeg: ‘Heb je misschien wat gel voor me?’

De ene dag bracht spitskool, de andere een seksueel kieskeurige man die gel nodig had. Toen hij het huis had verlaten, was ik zeker een uur lang verlost van het verlangen naar meer dan een doordeweekse dag.





Maand tweeënzeventig

Lieve Vera,

Je moeder stelde voor om naar het strand te gaan. Zoiets zal ik zelden voorstellen. Het gezinsuitje is het antwoord op een vraag die zich blijkbaar niet aan me opdringt. Gelukkig wordt je moeder wel geplaagd door die vraag. Ik heb me toegelegd op het instemmen. Dat is ook een noodzakelijke vaardigheid.
    ‘Het is de laatste mooie dag van de zomer,’ zei ze. Ik kreeg de indruk dat het ook de laatste dag was van iets anders – een kans die buiten bereik raakte, een hoop die ze moest loslaten.
    ‘Nu is het allemaal weer begonnen,’ had ze eerder opgemerkt. School, werk, maar meer nog de dagen die aaneenplakken, de kortademigheid. Vermoed ik. Ik merk het verschil niet zo. Mijn ademhaling vindt weinig houvast in vakantieroosters of seizoenswisselingen.
    Met jou had ze geprobeerd te praten over je nieuwe klas. Je bent net zes geworden en gaat nu naar groep 3, wat vroeger de basisschool heette. Een grote stap. Maar haar vragen liepen stuk op jouw weigering om groep 3 als iets bijzonders te zien. ‘Ik ben toch al een dag gaan wennen, voor de vakantie?’ zei je. En daarmee was de kous af.
    De laatste mooie dag van de zomer was bewolkt en fris. Jij en je zus speelden in de poelen op het strand. Het kippenvel bedekte je armen en benen. We voetbalden. En ik begroef jullie voeten een paar keer.
    We zaten op het zand en je moeder zei: ‘Ik heb het koud.’
    Ik sloeg mijn arm om haar heen. Tenminste, ik hoop dat ik dat deed. Helemaal zeker weet ik het niet meer.

In de nieuwe klas ligt elke ochtend een ingewikkeld rooster van taken op je te wachten. Je moeder had, enigszins verontrust, geconstateerd dat ze niets van het rooster begreep. Ik evenmin, maar het was niet bij me opgekomen dat ik het diende te begrijpen.
    Vanochtend schoof ik het rooster naar ons toe en vroeg ik je wat je geacht werd te doen. Je legde je vinger op een hokje en mompelde: ‘Een tot achttien’. In het hokje stond: ‘Blz. 19-28.’ In een ander hokje stond: ‘Blz. 1-18’. Maar dat was al afgevinkt door de meester.
    Ik vroeg: ‘Een tot achttien van wat?’
    ‘Nou gewoon,’ zei je. De vragen bevielen je allerminst.
    ‘Van het werkboek, misschien?’ Dat stond boven de kolom.
    ‘Ja, ja, van het werkboek,’ zei je snel.
    ‘Wat is dan je werkboek?’ vroeg ik. In je laatje ligt een hele verzameling boekjes, mapjes en papieren.
    Toen zweeg je en staarde betrapt naar het tafelblad.
    Ik had spijt van mijn vragen. Je had geveinsd alsof je alles begreep, alsof groep 3 niets nieuws was, om een verlammende angst te bezweren. Een tactiek die me bekend voorkomt.
    ‘Vertelt de meester dat zo meteen, misschien?’ Ik zocht een uitweg, iets beters schoot me niet te binnen.
    ‘Ja,’ antwoordde je zacht.
    Toen ik je zoende bij het afscheid, zoende je niet terug.
    Soms is betrokkenheid een vorm van egoïsme. Het onvermogen om de levensreddende leugens van de ander met rust te laten.

Tijdens het avondeten eerder in de week, vroeg je moeder naar een essay dat ik met een collega heb geschreven.
    Ik zei dat we veertig bladzijden hadden besteed aan de constatering dat het centrale idee van de opdrachtgever geen waarde had.
    Jij had aandachtig geluisterd en zei toen verontwaardigd: ‘Pappa, dat is zonde van het papier!’
    We schoten in de lach, vooral je moeder. Die had ik in tijden niet zo hard horen lachen.
    (Voor het verslag: het is geen zonde van het papier. We worden overal voor de voeten gelopen door kreupele ideeën, het is tijd om meer jachtvergunningen uit te geven. Maar toch. Het heeft iets gênants, om achter zo’n strompelend geval te gaan staan en de trekker over te halen.)
    Jij keek eerst verbaasd toe hoe we lachten en reageerde toen beledigd. Alsof we je in de maling namen. De laatste tijd heb je een bovenmatige achterdocht op dit terrein ontwikkeld. Zelfs wanneer je bewust een grap vertelt en wij daarom lachen, hetgeen me de bedoeling lijkt, wordt je soms verrast door die reactie. Dan roep je boos: ‘Niet lachen! Dat vind ik niet leuk!’
    Toen je moeder weer was gekalmeerd, vroeg ze aan me: ‘Snijdt het door je ziel, als Vera dat zegt?’
    Ik ontkende dat het door mijn ziel sneed. Het antwoord was oprecht, maar de ontkenning maakte onbedoeld ook haar lach, de beste lach van onze zomer, een beetje ongedaan.





Het dieptepunt van de zomer van 2011

Alles lag klaar voor de kampeervakantie. De belt aan spullen die, als ze eenmaal in al haar glorie is opgebouwd in de woonkamer, één woord onverbiddelijk naar de oppervlakte dwingt: Waarom? Dat woord hebben we leren negeren.
    Het was als eerdere jaren. De huurauto, de spullen. Behalve dat het regende. En dat we maar twee uur hoefden te rijden naar de eindbestemming, in plaats van elf. Op het moment dat we onze vakantiebestemming hadden gekozen, klonk dat als een voordeel. Twee uur naar het oosten, niet naar het zuiden.
    Terwijl het regende, riep de radio die dag uit tot het dieptepunt van de zomer van 2011. Later volgden reportages over campings die geëvacueerd dienden te worden. Ondertussen vermaakten de kinderen zich met de autostoeltjes. Ze zetten ze achter elkaar en speelden treintje.
    We stelden ons voor hoe we gevieren in de tent zouden luisteren naar de eindeloze regen. Ineens herinnerden we ons allerlei klussen in het huis die we nodig moesten doen, waar we de rest van het jaar plezier van zouden hebben.
    Het regende nog steeds, zij het weer iets harder. De slechtste dag van de zomer van 2011 had nog ambities.

Toen hakten we de knoop door: we zouden gaan klussen. Beter plan. Je moet je niet vastbijten in een achterhaald idee.
    Een paar minuten later besloten we ineens toch te gaan kamperen. Dat wil zeggen, ik zou eerst gaan, met de tent en de belt aan spullen. Volgens het weerbericht zou het de volgende dag minder hard regenen. Dan zouden mijn vrouw en dochters komen. Daarna zou het opnieuw gaan regenen, een week lang. Wat daarna zou komen, wist niemand.
    Toen we eenmaal een week op de camping waren, werd het antwoord duidelijk: nog meer regen.
    Op het veldje voor onze tent oefenden twee meisjes hun regendans. Urenlang. Iedereen die langs liep werd staande gehouden, om het resultaat te bekijken.
    Bij de afwas maakten mensen grappen over dat het ergste nog zou komen. Terugkerende vraag: ‘Hoe lang moeten jullie nog?’
    Toen het een avond niet regende, vloog er ineens een zwerm badmintonshuttles door de lucht langs de volle maan, als muggen rond een lamp.

Aan de campingeigenaar vroeg ik of er veel afmelding waren, vanwege het weer. Hij keek me aan alsof ik iets raars had gezegd. ‘Geen enkele,’ luidde het antwoord.
    De vastberadenheid had iedereen stevig in zijn greep.

Vier dagen voor het einde, vroeg Vera, onze dochter van zes jaar, welke dag het was. De regen rammelde op de tent. De bui was al voorbij, maar de bomen gaven het verzamelde water met een vertraging door.
    ‘Zondag,’ zei ik.
    Ze zuchtte en liet haar schouders en hoofd hangen. Ze heeft een theaterpose voor teleurstelling. De meeste mensen kennen die pose vooral van dansers die een robot nadoen die wordt uitgeschakeld.
    ‘Wat is er?’ vroeg ik.
    ‘Dan gaan we over vier dagen alweer naar huis. Ik wil nog niet naar huis,’ zei ze somber.
    Zo was het.
    Het dieptepunt van de zomer van 2011 bleek een prachtige tijd om te kamperen.
    De laatste avond liep mijn vrouw over de camping om te kijken of er nog mooiere plekken waren dan de onze. Voor wanneer we zouden terugkeren. Ze waren er niet.

3yl4ij5f





Rancune aan de macht

Vanochtend plaatste dagblad De Limburger onderstaand opiniestuk in een licht ingekorte versie.

“PVV buigt diep voor rol in Limburgse coalitie,” zo omschreef De Limburger het coalitieakkoord van PVV, CDA en VVD. De PVV had immers het verbod op nieuwe moskeeën opgegeven tijdens de onderhandelingen. Ook de Volkskrant zag dat als het grootste nieuws en kopte: “PVV bestuurt in Limburg: Geen verbod op moskeeën.’
    Wie denkt dat hier van een concessie sprake is, begrijpt niets van de opkomst van de PVV in Limburg.

Ondertussen rolt het ene na het andere boek over populisme van de persen. Telkens klinkt hetzelfde refrein: het populisme teert op rancune.
    Dat refrein klonk ook na de overwinning in Limburg. Zo noemde NRC-journaliste Marcia Luyten de provincie, tevens haar geboortegrond, “een vat vol rancune”. De Limburger startte een serie onder de titel: “Het onbehagen van Limburg.”
    Er is inderdaad sprake van onbehagen, maar dan vooral bij de gevestigde orde die zich geen raad weet met het populisme. Ironisch genoeg is juist dàt onbehagen – en het dedain à la Luyten waarin het zich uit – voor veel kiezers een bevestiging dat de PVV inderdaad iets nieuws te bieden heeft.
    Natuurlijk is het kleinerend voor aanhangers van de PVV om steeds te moeten horen dat ze uit rancune stemmen. Toch kun je daar ook een zeker genoegen in scheppen. Als iemand de moeite neemt om je te kleineren, dan doe je er toe. Dan boezem je angst in.

Belangrijker is dat rancune als verklaring voor het succes van de PVV niet deugt. De partij is daarin namelijk niet uniek. En voor zover de partij inderdaad op rancune teert, is dat niet per se onwenselijk. Het wordt tijd deze kreupele verklaring uit de weg te ruimen.

Ressentiment als politiek kapitaal

De Amerikaanse essayist Henry Adams omschreef politiek ooit als de “systematic organization of hatreds” – vrij vertaald, politiek is de ordentelijke optelsom van wederzijdse afschuw. Iedereen die verlangt naar een politiek zonder rancune, verlangt eigenlijk naar een politiek zonder politiek. Dat noemen we ook wel: technocratie, emotieloze deskundigheid aan de macht. De jaren negentig was de enige periode in onze politieke historie waarin de praktijk het ideaal benaderde. Het was de uitzondering. Het huidige klimaat is geen uitzondering, het is een terugkeer naar de normaliteit.
    De PVV heeft geen monopolie op ressentiment. Alle partijen appelleren eraan. Kijk eens hoe er over bankiers en andere grootverdieners wordt gesproken. Rationele argumenten daarvoor schieten tekort. Blijft over de rancune jegens het grote geld. Het feit dat ongebreidelde rijkdom ons als iets onsmakelijks voorkomt. Dit is niets nieuws. In de jaren zeventig lanceerde Den Uyl het idee dat de grootverdieners maximaal vijf keer het minimuminkomen mochten verdienen. Toen heette dat engagement, tegenwoordig zouden we dat populisme noemen.
    De Duitse filosoof Peter Sloterdijk laat in zijn boek ‘Woede en tijd’ zien dat grote ideologische stromingen rancune omzetten in politiek kapitaal. Daarmee kun je investeren, bijvoorbeeld in verandering. Zo gebruikte het socialisme het ressentiment jegens de kapitalisten om uiteindelijk sociale hervormingen door te voeren.
    De kunst is rancune productief te maken in een politiek programma dat ook andere elementen kent: ideeën van rechtvaardigheid, rationaliteit, gemeenschap en vooruitgang. ‘Limburg voor de Limburgers’ is in dat opzicht een schraal programma, maar op schraalheid heeft het populisme evenmin een monopolie.

Gezonde correctie

Als het zich niet onderscheidt in rancune, waaraan dankt het populisme dan haar succes? Kort gezegd: aan het eerdere succes van het liberalisme.
    Het volgende geldt inmiddels als onomstreden: Kiezers zijn niet alleen verdeeld langs de sociaaleconomische scheidslijn links-rechts, maar ook langs de culturele scheidslijn libertair-autoritair. Tot in de jaren tachtig brachten de grote middenpartijen ook autoritaire waarden tot uitdrukking. Maar in de jaren negentig nam het liberalisme het politieke speelveld over, van links tot rechts. Alle grote partijen schoven op in de richting van de libertaire deel van het speelveld. Juist de dominantie van het liberalisme maakte de opkomst van het populisme mogelijk. Er lag electoraal terrein braak.
    Een deel van het electoraat, vooral het lager opgeleide deel, is niet liberaal. Dat is al heel lang zo en waarschijnlijk ook nooit anders geweest. In 1984 maakte Gerard van Westerloo een prachtige reportage over Amsterdamse trambestuurders, onder de titel “Niet spreken met de bestuurder”. Wie de trambestuurders hoort spreken, hoort de PVV, minus de obsessie met de islam. Hun zorgen gingen over de teloorgang van gemeenschap. Ze werden echter steeds minder gerepresenteerd in het politieke debat. Hoe je ook denkt over die opvattingen, in democratisch opzicht is dit een tekortkoming. De opkomst van het populisme – LPF, SP, PVV – heeft dit tekort opgeheven. Met andere woorden, de democratie doet zijn werk.
    De vraag is niet waarom het populisme is opgekomen, de vraag is waarom het zolang is uitgebleven.

Burgerlijke waarden

Onbehagen maakt blind. Wie zich blind staart op de xenofobe excessen van de PVV, ziet niet dat veel van haar kiezers en een deel van het partijkader geen belangstelling hebben voor de Islam. Zo ook de Limburgse PVV-leider Laurence Stassen. Een dag voor de Statenverkiezing werd ze geïnterviewd door de Volkskrant. De interviewers schrijven: “Met vragen over moslims, hoofddoekjes, moskeeën en halal-vlees heeft ze het moeilijk. Maar begin over de ‘plucheplakkende bestuurders’, en Laurence Stassen houdt niet op met praten.”
    Uit het interview blijkt duidelijk dat Stassen zich probeert te onttrekken aan vragen over Islam en massa-immigratie. Niet zij, maar de interviewers zijn geobsedeerd door deze thema’s – oftewel, door hun eigen weerzin. Uiteindelijk capituleert Stassen. Met tegenzin reciteert ze de officiële landelijke standpunten van de PVV.
    Natuurlijk gaf Stassen het moskeeverbod op in de onderhandelingen voor het coalitieakkoord. Misschien veinsde ze om tactische redenen dat het haar zwaar viel. En ja, ze zal regelmatig ridicule opmerkingen maken over de Islam. Dat staat in haar functieomschrijving. Maar veel van haar verkiezingsthema’s drukken geen xenofobie uit. Ze richt de rancune elders.
    Wat zeg je als je ten tijde van een crisis de dienstauto van gedeputeerden wilt afschaffen, een triviale bezuiniging? Dan ben je een symbolische rekening aan het vereffenen – in dit geval met bestuurders die belastinggeld aan zichzelf spenderen, terwijl de belastingbetalers moeilijke tijden doormaken.
    “De vereffening van de onrechtrekeningen van een moreel onuitgebalanceerde wereld,” zo omschrijft Sloterdijk het productief maken van ressentiment. Als bestuurders zichzelf privileges ontzeggen, kun je dat ook solidariteit noemen. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is solidariteit niet afgeschreven. Het wordt opnieuw vormgegeven.
     Het populisme is het vereffenen van onrechtrekeningen. Een deel van het vermeende onrecht drukt burgerlijke waarden uit, geen xenofobie. Niet de fundamentalist is de vijand, maar de profiteur, de asociaal. Daarom laten populisten het woord ‘burger’ graag voorafgaan door de kwalificatie ‘hardwerkende’.
    Uit peilingen blijkt voortdurend dat een aanzienlijk deel van de PVV-aanhang weinig opheeft met de kruistocht tegen de Islam. Niet uit piëteit, maar omdat men het eenvoudigweg amper relevant vindt. Ook het kader van de partij zelf is hierover verdeeld. Wilders’ obsessie met de Islam is de Achilleshiel van de partij. Vertegenwoordigers als Stassen kunnen wel eens haar redding zijn.

Politisering

Het laatste misverstand over rancune is dat het alleen maar ‘tegen’ is. Daarom zou de PVV geen antwoorden hebben. Luyten schreef destijds: “Met een stem voor behoud van wat er nog is van vroeger, gaat de toekomst verloren.”
    Het idee dat een stem voor behoud een stem tegen de toekomst is, lijkt me nogal merkwaardig. Is een stem tegen klimaatverandering ook een vorm van nostalgie? Luyten bewijst zelf het failliet van haar diagnose met het relaas van Sanderbout, een oude wijk en PVV-bolwerk in Sittard. De bewoners verzetten zich, met succes, tegen de sloop waarvan de deskundigen hadden besloten dat die beter voor hen was. In plaats daarvan wordt er gerenoveerd en blijft de gemeenschap bewaard. Ook behoud kan vooruitgang zijn.
    Meer in het algemeen politiseren de populisten iets dat door de deskundigen buiten de politiek is geplaatst: ons antwoord op globalisering. Hoe weten de tegenstanders als Luyten dat de PVV geen antwoorden heeft? Omdat de populistische standpunten afwijken van het neoliberale recept: ze zijn tegen de verhoging van de pensioenleeftijd, tegen flexibilisering van de arbeidsmarkt, tegen open grenzen. Luyten, en vele met haar, weten zeker dat dit recept het enige mogelijke antwoord is, dat we geen keuze hebben.
    Als je beweert dat er geen keuze is, dan plaats je dat onderwerp buiten de politiek. De Franse socioloog Bourdieu noemt dit ‘economisch fatalisme’. Een defaitistische onderwerping aan de economische orthodoxie, zonder strijd. We zien het nu weer, rondom Griekenland. We hebben geen keuze, anders volgt de rampspoed. Let wel: de economische orthodoxie is geen onzin. Ik pleit hier niet voor fact-free politics. Maar die orthodoxie is faalbaar, dat moge inmiddels gevoeglijk duidelijk zijn.
    Het is een leugen dat een complex fenomeen als globalisering ons geen keuzes laat. Elders werd wel keuzevrijheid bevochten. Zo bedankte Denemarken voor de euro. Volgens de economen was dat kortzichtig en dom. Ze vergooiden hun toekomst. En nu? Nu gaat het prima met Denemarken. Ze kijken vast met enig leedvermaak naar onze worsteling met de Grieken.
    De strijd die Sanderbout heeft geleverd, wordt op allerlei terreinen en schaalniveaus gevoerd. Natuurlijk heeft de PVV geen doordacht economisch antwoord, maar ze biedt wel strijd. En politiek begint bij strijd.
    Misschien moet het antwoord op globalisering op een ander terrein gevonden worden: identiteit. Als je je staande wilt houden in een veranderende wereld, is het van belang te weten met welke groep je dat probeert te doen en welke ideeën van rechtvaardigheid die groep aanhangt. Misschien wil je eerst voelen dat er überhaupt nog een groep is. Daarna kun je praten over oplossingen en offers. En wie weet emancipeert Limburg en passant ook nog uit de slachtofferrol.