Ik keek Margin Call, een film die losjes gebaseerd is op de ondergang van de Lehman Brothers. Halverwege viel ik in slaap, maar dat gebeurt me tegenwoordig bij elke film. Wat me intrigeerde was dat de personages eigenlijk geen keuzes maken, maar hun handelen zien als het eenvoudigweg afwikkelen van het onvermijdelijke. ‘We have no choice,’ was de diagnose. Ik vermoed dat die diagnose grotendeels klopt. Een onbehaaglijk vermoeden.
Toen ik de onderzoeksaanvraag had ingediend, voelde ik een beetje opluchting, maar vooral een enorme behoefte om boodschappen te doen. Alsof dat was wat de afgelopen weken aan mijn leven had ontbroken: boodschappen. In mijn hoofd had zich een rommelige verzameling goederen opgehoopt die nodig moesten worden aangeschaft. Het was geen lijst, dat veronderstelt overzicht. Bij het verlaten van een winkel herinnerde ik me steeds iets dat me weer naar een andere winkel voerde. Uiteindelijk moest Jules op het voorzitje, omdat de fietskar gevuld was met dozen wijn, pakken luiers, een voordeelverlpakking vochtige doekjes, dekens, al dan niet met dierenopdruk, en broden. De rest vervoerde ik in een rugzak en op het achterzitje. Op een gegeven moment viel Jules in het zitje in slaap. Toen brak ik de tocht af om haar naar huis te brengen. Op het laatste stuk typte ik al fietsend een email aan mezelf met het boodschappenlijstje dat ik aan mijn vrouw zou geven.
Dear Zachery is een Amerikaanse documentaire, of eigenlijk: een eerbetoon aan een man die vermoord wordt door een gestoorde geliefde. Die geliefde vlucht vervolgens naar Canada en blijkt het kind te dragen van de man, waarna diens ouders proberen voogdij over het kind te krijgen. De film is bijzonder effectief in het betrekken van de kijker bij de tragedie die zich ontvouwt. Er is geen ironie tegen opgewassen, terwijl je beseft gemanipuleerd te worden. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst in tranen een film heb gekeken. En dan weet je als kijker niet eens dat de echte schok nog moet komen.
De film eindigt in een pleidooi voor bepaalde hervormingen waarvan het onbegrijpelijk lijkt dat ze niet worden doorgevoerd. Wanneer je iets weet van het openbaar bestuur, kun je bedenken dat het wel eens beter kan zijn dat de hervorming faalt. Hoe naar dat ook lijkt. Herstel: is.
Soms hoor je de verzuchting dat burgers zich machteloos voelen. De suggestie is dat het niet zou hoeven, dat het een gebrek aan kennis is. Maar er zijn hele vakgebieden in de greep van de machteloosheid. Waaronder het mijne.
Er zijn dappere volhouders die nog wel eens een reactie op dit weblog achterlaten, alsof Twitter en al die nieuwewetse uitvindingen nooit gedaan zijn. Hulde aan jullie. Alleen voor dit selecte gezelschap de volgende mededeling: de anti-spam-vraag is veranderd. Laat je niet van de wijs brengen. (Er was een spammende webwinkel die het antwoord op de vraag aan zijn robots had gevoerd, vandaar.)
In de sauna valt op dat het menselijk lichaam de creatie is van een vijftigjarige vrouw die net een cursus Klei en Verdriet is begonnen.
Vorige week is het nieuwe VakantieDoeBoek van Hans Ubbink uitgekomen. Mijn bijdrage, Ikaria, is hier te lezen (PDF). (Inderdaad, het is een bewerkte versie van dit stuk.)
De bijdrage wordt vergoed in natura, dat wil zeggen, met kleding van Hans Ubbink. Zonder dat ik daartoe aanleiding had gegeven, zei mijn vrouw: ‘Lief van je dat ik kleren van Hans Ubbink mag uitzoeken.’
Ik vertelde dit voorval aan een vriend. Hij zei: ‘Het is belangrijk dat je vrouw profiteert van je schrijfactiviteiten.’ Dat vond ik een waardevolle observatie.
Een dienstmededeling: Omdat nieuwe stukjes nogal onregelmatig verschijnen, zal ik updates vanaf nu doorgeven via Twitter: @bijzinnen.
Na afloop van een congres raakte ik gesprek met twee Delftse studenten die ik niet eerder had ontmoet. Ze kwamen er achter dat ik ook uit Delft kom. Vroeg een van hen: ‘Wat studeer je dan?’
Toen ik in de lach schoot, zei hij: ‘O, wacht, ben je misschien net afgestudeerd of zo?’
Een taxi bracht me van station Zwolle naar mijn afspraak. De taxichauffeur zei laconiek: ‘Na drie maanden wist ik dat een taxi rijden niets voor mij was. Dat was tien jaar geleden.’
Even later zei hij: ‘Ik ga bijna met pensioen, dus het wordt langzaamaan tijd om iets anders te vinden.’
Niet iedereen is belast door de obsessie met geluk.
Vrijdagmiddag verzorgde ik een lezing over internetveiligheid bij de Rijksacademie voor Financiën.
Een van de aanwezigen was Coen Teulings, de directeur van het Centraal Planbureau. Hij gaf me een hand, bekeek me van top tot teen en zei toen tegen de organisator: ‘Mensen die zich met internet bezighouden zien er altijd een beetje raar uit.’
Ik droeg een donkerbruin pak met daaronder een lichtgeel overhemd en gele das. Die combinatie had ik nooit eerder aangehad. Ik had een klein geluksmoment beleefd toen ik mezelf die ochtend in de spiegel had bekeken.
‘Beter dan dit wordt het niet,’ zei ik.
‘Nee, ik zie dat je erg je best hebt gedaan,’ zei Teulings.
Niet iedereen maakt mooie bochten met de Segway: "The multi-millionaire owner of the Segway company died in a freak accident yesterday when he rode one of the high-tech two-wheel machines off a cliff and into a river."
De vakantie is aangebroken. Dat had ik een week eerder moeten constateren, maar goed. Morgen gaat het internet uit.
Er resteert alleen nog de mededeling dat degenen die interesse hadden in de tekst van mijn oratie, de voordracht die een gepensioneerde ingenieur uit zijn slaap hield, zij deze alhier kunnen downloaden.
Tot 1 augustus.
Gisteren was ik begeleider van de schoolreis van Vera’s klas. Er waren bijna alleen vrouwelijke begeleiders. Ik weet niet of het opzet was, maar de twee wildste jongetjes, beide vijf jaar, waren in mijn groepje ingedeeld.
Mijn vrouw vroeg per sms of alles onder controle was. ‘Ik heb de wind er flink onder,’ schreef ik terug.
Halverwege de dag liep ik na het zoveelste toiletbezoek met een van de wilde jongetjes terug naar de groep. We zwegen een poosje. Toen vroeg hij op beschouwende toon: ‘Meneer de pappa van Vera, waarom zegt u zo vaak sorry?’
Ik vond dat een verontrustende vraag.
Vandaag kocht ik een zwarte tweedehands vouwfiets voor zeshonderd euro. Een vriend had me een dag eerder voorgerekend dat hij zojuist 16500 euro aan een tweedehands auto had uitgegeven, bovenop de inruilwaarde van zijn BMW. Waar ik me druk over maakte, was zijn onuitgesproken vraag.
De man die de vouwfiets verkocht, vertelde dat hij een nieuwe vouwfiets had gekocht ter waarde van 2300 euro.
Kortom, iedereen was zeer behulpzaam. Het bezit van anderen kan een bron van afgunst zijn, maar zelf ervaar ik het als bevrijdend.
Op het grote scherm verschijnt een Youtube filmpje van K3.
‘Nee, die wil ik niet,’ zegt Vera. ‘Die heeft allemaal blokjes. Dat is lelijk.’
Ik kuste haar.
‘Wat is er?’ vraagt ze.
‘Je hebt gelijk, zeg ik.
Eindelijk deelt Vera mijn afkeer van compressieartefacten. In zaken als partnerkeuze en politiek is het raadzaam om artefacten te leren aanbidden. Daarnaast gun ik iedereen een gebied waar het gebrek geen bestaansrecht heeft en uitgeroeid moet worden.
Mijn vrouw zegt: ‘Ik vind dat wij goed zijn in scheiden.’
Ik kijk op. Een moment lang verdwaal ik in de vraag hoe je goed scheidt. Snel en kort, als het verwijderen van een pleister? Genereus, qua bezittingen en bezoekregelingen?
Dan pas zie ik de zak in haar handen, vol plastic. Sinds kort zamelt onze gemeente plastic afval gescheiden in. Zonder het onderling te bespreken zijn we het plastic gaan scheiden. Het is zo langzamerhand een dagtaak om welvarend te zijn.
Ik knik. We zijn goed in scheiden.
Vera heeft leren bidden. Op school was een tentoonstelling over verschillende landen, waaronder Marokko.
‘Zal ik even laten zien hoe moet bidden?’ vraagt ze. Ze laat zich op haar knieën zakken en buigt dan voorover. Met haar voorhoofd tegen de vloer, kijkt ze opzij en zegt: ‘Zie je? Zo moet je het doen.’ Het oogt overtuigend.
‘Maar Vera, weet je ook waarom mensen bidden?’
‘Ja. Het is een soort gymnastieken.’
Bayern won en ik dronk een biertje. Ik goot het flesje leeg in het glas en keek op het etiket. La Trappe Tripel. Voor zover ik wist had ik nog nooit een La Trappe Tripel gekocht. Ineens herinnerde ik me een jongeman in een donker pak. En een bril, geloof ik. Hij drukte me de hand tijdens de receptie na mijn oratie en stelde zich voor als een lezer van Bijzinnen. Hij gaf me twee cadeaus. ‘Een voor als je vrouw thuis is en een voor als ze weg is.’ Een verwijzing naar een eerder stukje. Het was een fles rode wijn en een flesje bier. Ik was getroffen door het feit dat hij had nagedacht over een cadeau voor een vreemde. Vanavond won Bayern en dronk ik een La Trappe Tripel. Mijn vrouw was inderdaad van huis.
De laatste anekdote over poep. Tijdens het ontbijt riep mijn dochtertje vanaf het toilet dat ik moest komen. Ze was bijna klaar, zei ze. ‘Ik ben benieuwd welke letter het is.’ Ze kantelde haar heup en probeerde in de pot te kijken naar het halffabricaat. Ze fronste.
‘En?’ vroeg ik.
‘Ik kan het nog niet zien,’ zei ze.
Ik knikte.
Ze beet op haar onderlip. ‘Maar als het geen letter is, dan is het een kunstwerk, oké?’
‘Oké.’
‘En dan is voor nep het kunstwerk niet van poep, oké?’
Ook dat was oké. Gerustgesteld concentreerde ze zich op het vervolg. Ik keek op mijn horloge en rekende uit dat we nog elf minuten hadden om aan te kleden en tanden te poetsen.

