Nieuwe column L1 Radio

Een nieuwe column voor L1 Radio, gebaseerd op het stukje over zandlopers van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, laffe liefdadigheid en nog zo wat zaken.





Voorgefrankeerd

Twee maanden geleden zat ik in een Maastrichts restaurant naast Cor Bosman, lid van de provinciale staten van Limburg. Het was enkele weken nadat Bosman landelijke bekendheid had verworven omdat hij een statenlid van de PvdA had omschreven als een ‘uitgekotst stuk halalvlees’.
    Een stuitende uitspraak, maar de ophef die daarop volgde onderstreepte ook iets dat me al vaker is opgevallen: er is een grote groep mensen die genot ontleent aan het verontwaardigd zijn.
    Toen ik naast Bosman zat vroeg ik hem of hij bedreigd werd. Hij haalde zijn schouders op. Zijn email had hij al tijden niet geopend. Wel kreeg hij ongeveer tien scheldbrieven per dag via de reguliere post, waaronder een dagelijkse brief van iemand die steeds een voorgefrankeerde bedrijfsenvelop gebruikte waaruit hij het bedrijfslogo had geknipt.
    Verontwaardiging is een hobby. Voor alle hobby’s geldt: ze moeten wel een beetje betaalbaar blijven.




In de gang van de school stond een vader van een vriendinnetje van mijn dochter. ‘Was het weer niet goed allemaal?’ zei hij tegen me.
    Hij doelde op een uitzending van het NOS Journaal van afgelopen vrijdag. Ik had commentaar gegeven – ‘een stukje duiding,’ noemde de redacteur het – op de ontdekking van een slecht beveiligde database met medische informatie.
    De vader van het vriendinnetje bracht mijn commentaar terug tot zijn kern: het was weer niet goed allemaal. Ik heb nu een kleine tien keer in een nieuwsprogramma opgetreden. Inmiddels is duidelijk: het onderwerp maakt niet uit, de behoefte waarin ik voorzie is steeds dezelfde.
    Als nieuwsredacties zeggen dat ze deskundig commentaar nodig hebben, dan bedoelen ze: gediplomeerde afkeuring.

23/04 - 2

De zandloper

Ergens in de gemeente Beek, Zuid-Limburg, douchen de mensen 1 minuut en 42 seconden korter dan voorheen. Zeggen ze zelf.
    Eerst hadden ze bezoek gekregen van een “Energieteam”. Het team had hen een zandloper gegeven voor in de badkamer. Toen de bewoners enkele maanden later gebeld werden, beweerden ze dat ze korter douchten. Gemiddeld 1.7 minuten korter.
    Of dat waar is, mag je betwijfelen. Ik vermoed dat de antwoorden van de bewoners op de telefonische enquête niet zozeer hun daadwerkelijke douchetijden uitdrukten, als wel hun wens om het Energieteam niet teleur te stellen.
    Volgens het persbericht bestond het team uit “mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt”. Ik weet niet precies welke tragiek er schuil gaat achter dat ambtelijke eufemisme. Ik stel me timide mensen voor in blauwe windjacks waarop het logo van het Energieteam is gedrukt. Terwijl je de koffie uitschenkt, frunniken ze onder de tafel met de ritssluiting van hun jack. Maar als het moment komt om de energiebesparingstips te geven, bloeien ze ineens op. Dit gedeelte hebben ze voorbereid, getraind, geleefd. Het hoogtepunt is de overhandiging van de zandloper. Bedankjes worden uitgesproken, handen worden geschud en het team wordt uitgezwaaid bij de voordeur.
    Als je na hun bezoek wordt gebeld met de vraag of de zandloper nut heeft gehad, dan wil je geloven dat je korter gedoucht hebt. Of je wilt op zijn minst dat de ander dat gelooft. En die ander, in dit geval de gemeente Beek, wil het ook graag geloven.

Wij hebben thuis ook zo’n zandloper. Er was een meisje aan de deur geweest, een collectante voor een goed doel. Omdat ik laf ben, doe ik mee aan alle charitas die mij thuis weet aan te treffen. Dit wetende is het onmogelijk om enige voldoening te halen uit mijn vrijgevigheid. Na elke gift blijf ik achter met een kater. Deze keer bleef ik achter met een kater en een zandloper.
    Ik gaf de zandloper aan mijn vrouw. Mijn vrouw doucht lang: ’s ochtends zo’n twintig, dertig minuten, vaak ’s avonds ook nog een keer. Dat heeft minder met lichaamsreiniging te maken dan met zelfmedicatie.
    Enige tijd geleden had ik me voorgenomen om te zwijgen over haar douchegebruik. Wat zelfmedicatie betreft, is het een van de meer onschuldige vormen. Mijn vrouw is niet aan de drank, zet thuis geen Sky Radio op en catalogiseert haar klachten jegens mij doorgaans in stilte. Bovendien heeft ze op mijn verzoek afgezien van een auto, wasdroger, vriezer, comfortabele binnenhuistemperatuur en het doorspoelen van de WC na kleine boodschappen, behalve als er bezoek is of de schoonmaakster komt. Dus.
    Toch moest ik haar die zandloper geven. Er was geen ontkomen aan, ook al wist ik dat hij geen enkel effect zou hebben. Ze nam hem zonder zichtbare reactie in ontvangst. Toen ik hem een paar dagen later aantrof op de kast, heb ik ‘m zelf op de deur van de douchecel geplakt.
    Inmiddels gebruiken de kinderen het zuignapje ervan om te tekenen op de beslagen deur.
    Nu is het wachten op het moment dat het meisje terugkeert, die van het goede doel dat ons de zandloper heeft gegeven. Bij haar volgende collecte zal ik zeggen: het is een wonder, we douchen ineens korter. Ik heb het even uitgerekend voor je: 1 minuut en 42 seconden korter, om precies te zijn. En vervolgens zal ik mijn portemonnee trekken.





Iets moois

Na afloop van het interview, vroeg ik aan de journaliste van RTL Nieuws wat ze onder mijn naam zou zetten, aan het begin van het journaalitem. Dat vond ze een goede vraag.
    De cameraman had een shot nodig waarin ik zou doen alsof ik aan het werk was. Ik begon zo geloofwaardig mogelijk op mijn toetsenbord te tikken.
    Ik wilde dat ze vroeg wat mijn functie was. Niet dat ze die informatie zou gebruiken. Het zijn teveel woorden voor het kleine balkje dat maar even in beeld komt. Maar ik vond dat ze het moest vragen. En dan kon ik zeggen dat hij te lang was om het in het balkje te zetten.
    Eigenlijk wilde ik dat mijn titel genoemd zou worden. Het is een ontnuchterende constatering dat je je gehecht hebt aan een handvol letters. Alsof de jaren die eraan voorafgingen anders tevergeefs waren. Het is een beetje als met boeken die me niet bevallen: die lees ik toch uit. Niet uit plichtsbesef of een ander nobel motief, maar als een vorm van wraak op het boek. Door het uit te lezen, hoef ik het verlies niet te accepteren, de gedachte dat de uren die er al in gestoken zijn tevergeefs waren. Je kunt het ook hoop noemen.
    Maar goed. Ik durfde haar niet te vragen of ze de titel wilde gebruiken, want dat zou onbescheiden overkomen. Twee ijdelheden streden om voorrang, maar het was een ongelijke strijd.
    Ik vroeg of ze er in ieder geval niet telecomexpert onder wilde zetten, of iets dergelijks.
    ‘Zo werd je in de radiojournaal aangekondigd, hè?’ zei ze. ‘Het klonk inderdaad een beetje raar.’
    Ze beloofde dat ze er iets moois van zou maken.
    Toen ik het item ’s avonds op televisie zag, vergat ik te kijken naar het onderschrift. Een ongeschoren kop debiteerde een tegeltjeswijsheid.
    Later keek ik het fragment terug en las ik de woorden die mijn aanwezigheid in het item moesten verklaren: ‘Technologie deskundige.’ Met spatie. Het klonk als een grap. Nee, het was een grap.
    De vrouw had haar woord gehouden.





De zwetende mens (slot)

(Wat voorafging, staat hier.)

De brandstapel werd aangestoken. Toen was het tijd voor het voorbereidende gesprek. We gingen de tipi binnen en vormden een kring rond de leider van de zweethut, een sympathieke man van mijn leeftijd. Hij legde uit dat het idee was dat ons pantser zou smelten door de hitte en dat we daardoor dichter bij onszelf zouden komen. Als ik het goed onthouden heb.
    Toen vroeg hij ons waarom we waren gekomen.
    Een vrouw zei: ‘Om het leven te vieren.’
    Ik heb me altijd afgevraagd hoe dat er uit zou zien, het leven vieren. Een paar uur later zou ik een glimp van het antwoord opvangen: het laten van indrukwekkende boeren, afgewisseld met zingen in een soort fantasietaal.
    Maar zover was het nog niet.
    Toen ik aan de beurt was, zei ik dat ik er was gekomen om mezelf in het nauw te drijven.
    De leider vond dat geestig en vroeg of hij het op zijn website mocht zetten. Daar had ik niets op tegen.
    Ik zei ook dat ik het ritueel met de stenen beschamend had gevonden en dat ik die schaamte eigenlijk nogal overbodig vond. Als er iets moest smelten, dan graag het overschot aan schaamte.
    De leider knikte begripvol en vond het goed dat ik me bewust was van mijn weerstand.
    Ondertussen waren buiten twee vuurmensen druk in de weer met de brandstapel. De stenen moesten steeds ingekapseld blijven door het brandende hout. Op een gegeven moment gaf een van hen te kennen dat de stenen op temperatuur waren.
    Dat was het sein om naakt te gaan. Zonder ophef verdween alle kleding in meegebrachte weekendtassen of supermarktzakken.
    Even later zaten we in de donkere hut. De kleine ingang bleef nog even open, zodat de vuurmensen met een riek de eerste stenen naar binnen konden brengen. De basaltblokken waren zo heet dat ze oranje licht afgaven. Toen de ingang werd afgesloten, zaten we in een totale duisternis, afgezien van de betoverende gloed van de stenen in het midden van de hut. Er volgden enkele rituelen en al snel ging het eerste water op de stenen.
    Ik heb de neiging om wat daarna volgde samen te vatten in zes woorden: ik blijk niet bestand tegen hitte. In sauna’s heb ik nergens last van, maar dit was heel iets anders.
    Met een uiterste wilsinspanning kwam ik de eerste ronde door. Ik begrijp wel dat je moet proberen te ontspannen, niet moet vechten met de hitte, maar de hitte vocht met mij.
    Uit de duisternis klonk af en toe de stem van de leider, die op medelevende toon vroeg hoe het met me ging.
    Van tevoren had ik verwacht dat het verblijf in de hut op meditatie zou lijken. Stilte, ronddraaien in je eigen gedachten tot je vanzelf een keer op een andere plek uitkomt. Maar het was een drukte van jewelste. We moesten zingen, praten, luisteren en dan weer zingen. Ik had nauwelijks tijd om te kermen.
    Tijdens de tweede ronde zong ik uit volle borst mee met de indianengezangen. Als ik zong, had de hitte minder grip op me. De leider had les gehad en zong heel verdienstelijk. De rest improviseerde zelf wat. Wat ik deed, leek nergens op. Maar dat was een luxeprobleem. Tussen mij en de aftocht stond alleen vormeloos gezang. Ik huilde en jammerde mee. Het eerste doel was alvast bereikt: mijn schaamte smolt in hoog tempo.
    Tijdens de derde ronde, die draaide om dankbaarheid voor onze naasten, kreeg ik een paniekaanval. Het fenomeen paniekaanval is me vreemd. De enige keer dat ik iets vergelijkbaars heb gevoeld is toen ik als achtjarig jongetje per ongeluk een doelpunt maakte en de rest van het elftal boven op mij wenste te liggen. Ik kreeg geen adem meer en was er van overtuigd dat ik het niet zou overleven.
    Ik schreeuwde dat ik eruit moest. Maar ik wachtte wel gedwee op toestemming. Het respect voor gezag zit diep. De leider probeerde me te kalmeren, maar ik was te ver heen. Toen gaf hij de vuurmensen de opdracht om de ingang te openen. Ik kroop erheen en voelde de koele lucht langs mijn hoofd stromen. De leider vroeg opnieuw om even te wachten met het verlaten van de hut. Ik bleef zitten, in de buurt van de opening. Na enkele seconden ebde de paniek weg. Ik zei dat de deur weer dicht kon.
    Het restant van de derde ronde was de schaamte geheel weggesmolten, samen met het vermogen om na te denken. Toen het mijn beurt was om te ‘bidden’, kwam er een enorme woordenbrij uit mijn mond. Ik werd overspoeld door gevoelens van dankbaarheid. Na enige tijd onderbrak de leider me met het verzoek de rest van mijn gebed in één zin samen te vatten.
    Toen de ronde klaar was, wist ik met heel veel moeite uit de hut te kruipen. De vierde laatste ronde was kort en hevig. Dat ging beter. Daarna lagen we naakt in het donkere bos naar de sterren te kijken, wachtend op de terugkeer van normale lichaamsfuncties.
    We sloten de dag af met soep, brood en wat etenswaren die mensen zelf hadden meegebracht. Wijn, die in de hut naast me had gezeten en schijnbaar moeiteloos de hitte had verdragen, stortte ineens in. Totaal. Pas nadat hij een uur in foetushouding onder een deken had gelegen, was hij weer aanspreekbaar.
     De volgende dag deden we rustig aan. Ik probeerde het gevoel van dankbaarheid vast te houden en vroeg me af hoe ik mijn vrouw dit moest gaan uitleggen.
    Op maandag, anderhalve dag na de zweethut, herinnerde ik me delen van wat ik in de hut had gezegd. En ik kromp ineen. Letterlijk. Toen wist ik dat hij weer terug was, mijn vriend de schaamte.





De zwetende mens

We gingen dus naar een zweethut. Daan had me een paar keer over zijn ervaringen verteld en de laatste keer had ik mezelf uitgenodigd. Daar moest hij even over nadenken. Ik sta niet bekend om mijn ruimhartige bejegening van de zwetende medemens. Uiteindelijk stemde hij toe.
    We vroegen Wijn ook mee. En zo arriveerden we op een zaterdagochtend gedrieën in een bos tussen Nijmegen en Venray. De leider van de ceremonie zat met een bekertje koffie te wachten aan een picknicktafel, naast een tipi.
    Een voor een arriveerden de andere deelnemers – drie vrouwen en een man op een motor. De ochtend werd besteed aan voorbereidingen. We hakten brandhout, versleepten stenen en bouwden de hut door tientallen dekens te draperen over een iglovormig skelet van boomtakken.
    Na de lunch begon de ceremonie met het plaatsen van de stenen op de vuurstapel. Na negen rituele stenen, mochten de deelnemers enkele stenen aan iets opdragen. De vrouwen droegen stenen op aan de lente, de liefde en de natuur. De motorrijder droeg een steen op aan het wegennet. Dat nam me voor hem in.
    Ik overwoog een steen op te dragen aan de onverbiddelijkheid, maar ik merkte dat ik de lettergrepen opspaarde in mijn mond, als een fluim die ik de anderen voor de voeten zou spugen. Het leek me beter een ander woord te zoeken. Voordat het zweten begonnen was, verdiende de medemens het voordeel van de twijfel. Daarna vermoedelijk ook.
    De brochure had gesproken over het in contact komen met jezelf. Sommige van die contacten zou ik liever beperken tot verjaardagen en een kaartje met Kerst.

(Morgen verder.)





Nieuwe radiocolumn L1

Ook deze keer in het dialect, op veler verzoek. Het is een licht bewerkt gedeelte van dit stukje.





Slettebak

Gisteravond verscheen een rapport over de vermeende ‘integriteitsschendingen’ door wethouder Van Rey in Roermond. De conclusie hoeft niet te verrassen: de wethouder heeft zich niet aan de gedragscode gehouden.
    Gedragscodes zijn organisatorische fantasieën over de ideale mens. Ze drukken uit wie we denken dat we moeten zijn. Net als de tien geboden. De praktijk is dat ik mijn ouders alleen eer als ik een oppas nodig heb en dat ik op onbewaakte momenten ook wel eens de vrouw van een ander begeer, om maar iets te noemen. Pas als je iemand tegenkomt die elke dag zijn ouders eert en nooit de vrouw van een ander begeert, begrijp je dat de gedragscode geen ideaal mens schept. Waarmee ik mijn tekortkomingen niet wil wegpoetsen, overigens.
    De productie van gedragscodes is een bedrijfstak die ons zuiverheidsidealen verkoopt, net als de controle op de naleving ervan. De controleurs hebben altijd dezelfde boodschap: de code is niet nageleefd. Dan kun je concluderen dat onze ambtenaren en bestuurders door en door corrupt zijn, maar het lijkt me logischer om te concluderen dat de gedragscode een ondeugdelijk product is. Een brandalarm dat altijd afgaat, breng je terug naar de winkel. Je begint niet alvast te blussen.

In de schaduw van de zaak Van Rey speelde nog een vermakelijk akkefietje rond wetenschappelijke integriteit.
    Toen dagblad De Limburger afgelopen najaar de eerste aantijgingen tegen de wethouder publiceerde, voerde ze ook twee hoogleraren op – ‘deskundigen op het gebied van bestuurlijke integriteit’. De hoogleraren velden alvast een negatief oordeel over het gedrag van de wethouder.
    De lokale VVD noemde daarop de hoogleraren ‘prostituees van De Limburger’.
    Het beeld dat een regionale krant zich liet verwennen door twee hoogleraren, stemde me ronduit vrolijk. Twee instituten in verval die troost vinden bij elkaar, daar past slechts mededogen.
    Kort daarna trok de VVD die uitspraak weer in. Dat was een beetje jammer. De universiteit van Maastricht had rectificatie geëist. Ze vond het “meer dan een belediging”, maar een opmerking die de integriteit betwijfelde van haar integriteitsdeskundige.
    Dat roept de vraag op: bestaat er zoiets als een integere prostituee? Natuurlijk bestaat die.
    Prostitutie is in de eerste plaats een zakelijke transactie. Het lijkt me dat je die op een integere manier kunt afwerken. Wie zegt dat het niet kan, verklaart het kapitalisme één grote integriteitschending. Dat laatste mag een populair standpunt zijn, daarmee is het nog niet correct.
    De reden waarom de universiteit zo fel reageerde op de term prostituees, is dat het een pijnlijke waarheid blootlegt: hoogleraren zijn op afroep beschikbaar voor het gerief van journalisten. Quotejes van deskundigen dienen een journalistieke pointe, niet andersom. Het heeft minder met wetenschap te maken dan met het verlangen naar aandacht. Ik zeg dit in het volle besef van het feit dat ik zelden of nooit een uitnodiging van een journalist afsla.
    Toen de VVD sprak over prostituees, schoot De Limburger de hoogleraren te hulp door te vermelden dat er van betaling geen sprake was. Dat onderstreept onbedoeld de tragiek. Als je de financiële transactie weglaat, blijft er van de prostituee alleen een slettebak over.





De borstkas van een Argentijn

Tijdens de lunch keek ik een deel van de halve finale tussen Nederland en West Duitsland van het EK van 1988. Die wedstrijd had ik nooit eerder gezien. Destijds boeide voetbal me niet. Ik herinner me dat ik met enkele klasgenoten in een Grieks restaurant aan de Rijksweg in Sittard zat. Tijdens het toetje hoorden we met enige tussenpozen claxonerende auto’s passeren. Geen van ons associeerde dat geluid met voetbal.
     Ik probeerde de verschillen te zien tussen voetbal van nu en dat van 1988. Die waren minder groot dan ik had verwacht. Wel viel me op dat de huidige obsessie met balbezit ontbrak. Beide teams probeerde snel naar voren te combineren en leken te accepteren dat de meeste van die pogingen zouden leiden tot balverlies. Je zou denken dat het spel daardoor aantrekkelijker werd, maar dat was niet zo. Het werd wel spannender.
    Andere detail: het feit dat men de bal nog mocht terugspelen in de handen van de keeper, maakt pressing nagenoeg onmogelijk. En juist daardoor was er weinig reden om terug te spelen op de keeper. Het gebeurde maar een handvol keren.
    Maar het meest opvallende was het morele universum waarin de strijd zich afspeelde, afgaande op het commentaar van Ten Napel. Terwijl Van Basten grossiert in schwalbes, klaagt Ten Napel over Duitsers die simuleren en kaarten aannaaien. ‘Dat hoort niet.’ De Nederlandse spelers maken meer overtredingen dan de Duitsers, maar het commentaar maant de Nederlanders aan om zich niet te laten provoceren dan de Duitsers.
    Er wordt wel eens gedaan alsof Wilders het slachtofferdenken heeft uitgevonden. Maar het is een nationale hobby.
    Een jaar of tien geleden kwam ik op een feestje in Berkeley een Amerikaan tegen die fanatiek voetbal volgde. Hij vertelde me dat Nederlandse elftal bekend stond als gemeen en achterbaks. Ik was geschokt door die mededeling. Nu denk ik: ook ik geloofde in de slachtofferrol. Ik herinner me nog de intense genoegdoening die ik voelde toen Bergkamp stiekem zijn noppen plantte in de borstkas van een Argentijn. Van dat genot ben ik nog steeds niet helemaal verlost.





Maand vijfendertig

Lieve Jules,

Ik zat op het toilet, toen ineens de deur op een kier ging die net breed genoeg was voor jouw hoofdje. Je bekeek me enkele tellen van top tot teen, tot je besefte dat je aanwezigheid een rechtvaardiging behoefde.
    ‘Pappa.’
    ‘Ja.’
    ‘Jij bent toch lie-hief?’
    Ik gaf toe dat ik lief was.
    Vanwege je leeftijd nam ik het je niet kwalijk dat je liefde als dekmantel gebruikte voor voyeurisme. Maar ik zeg je alvast: die truc heeft zijn langste tijd gehad. Er bestaat een slag vrouwen dat wangedrag op grote schaal witwast door het als liefde in de boeken op te nemen. Zo had ik ooit een vriendin die bij voorkeur midden in de nacht aan de relatie wilde werken. Wat zij liefde noemde, noem ik nu een gebrek aan medicatie. Op het moment zelf noemde ik het niets. Toen voelde ik vooral schaamte voor het feit dat ik zo weinig van haar hield dat ik haar nooit wakker maakte voor een goed gesprek.
    Afijn.
    Ook aan Vera en je moeder vraag je of ze lief zijn. Vaak is het een soort controlevraag. Je hebt veronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit, maar je houdt rekening met het feit dat je er naast kunt zitten. Ik kan je daar geen ongelijk in geven. Gisteren waren we op een verjaardag en toen wilde je zus je nog omruilen voor het kindje dat net een jaar was geworden.
    Een verwante vraag is: ‘Pappa, jij bent toch niet boos?’ Die krijg ik iets vaker dan goed is voor mijn zelfbeeld als ouder. Ik zucht en ik steun, het valt niet te ontkennen. Ik zou je willen uitleggen dat het geen verwijt is. Maar oefen ik al een jaar of twintig op die uitleg en vooralsnog heeft niemand zich echt laten overtuigen. Mijn hoop is dat je aan het gezucht gehecht raakt, zoals bestuurders van elektrische auto’s gehecht blijken te zijn aan het lawaai van de benzinemotor. Je kunt van mensen houden vanwege hun gebreken. Juist daarom.

Over gebreken gesproken, je vond de winter maar een matige uitvinding. Vorig jaar droegen we je naar buiten in de sneeuw. Je ging zitten en begon te huilen, tot we je weer naar binnen droegen. Dit jaar zette je zelf de stap over de drempel. De eerste schoen raakte de sneeuw en toen trok je de tweede erbij, zodat je de eerste kon optillen. Vol afschuw keek je naar het witte spul dat aan je zool kleefde, alsof hondenpoep was. ‘Vies,’ luidde je oordeel. En toen wenste je weer naar binnen te gaan. Het kan zijn dat ik toen even gezucht heb.
    Nu de sneeuw is verdwenen, kun je eindelijk weer verder met je natuurkundige experimenten. Zoals naar de akoestiek van tunnels. Zodra we met de fiets onder iets doorrijden, roep je luidkeels: ‘Ha! Lo!’ Dat leidt soms tot verschrikte reacties bij andere fietsers. Daar heb je geen oog voor. Jij herhaalt de proef tot de echo is verdwenen. Toen we laatst met de tram door de tunnel reden bij station HS, wist je wat je te doen stond. Jij wist wat je te doen stond. Je riep ‘hallo!’ en constateerde verrast dat er geen echo klonk, terwijl we toch echt in een tunnel waren. Om elke twijfel uit te sluiten, riep je zo hard je kon: ‘Haaallooooooh!’ Dat leidde tot verwijtende blikken van de medereizigers. En gezucht. Je zult vaart moeten maken, het aanzien van wetenschap brokkelt af waar je bij zit.





Wiebelend duimpje

We liepen door de Gamma, mijn dochters en ik. Ik hou van mijn kinderen, maar er zijn projecten nodig om de liefde in goede banen te leiden.
    Ik had aan Vera, de oudste, uitgelegd wat we zochten: een flexibel stuk buis waar haar duim in paste. Als een speurhond trok ze langs de schappen.
    Er waren bijna geen andere bezoekers. Aan de klantenbalie hingen vier medewerkers de tijd te doden. Ze begroetten ons vriendelijk.
    Af en toe riep Vera dat ze het gevonden had. Er was geen montageset voor een mengkraan of doosje van dertig PVC-bochten voor electriciteitsbekabeling of ze ontdekte er een duimdik, flexibel ogend buisje tussen.
    Ik had gehoopt dat ze tuinslang van verschillende diameters per strekkende meter zouden verkopen. Ik had maar twee handlengtes nodig. Maar de tuinslangen waren alleen te koop in geplastificeerde trossen van vele meters.
    Toen moest ze plassen.
    We gingen op zoek naar een toilet.
    Op de sanitairafdeling ontdekte de dames tot hun grote vreugde een WC. Vera maakte al aanstalten om haar broek te laten zakken. Ze reageerde enigszins confuus op mijn betoog dat deze toiletten niet gebruikt mochten worden.
    Ik vroeg een medewerker  waar ik de toiletten kon vinden.
    Zijn arm ging al in de richting de sanitairafdeling. Toen liet hij hem zakken en vroeg: ‘Bedoelt u een toilet om meteen te gebruiken?’
     Met zijn drieën brachten we vijf gezellige minuten door op het toilet van de Gamma.
    Aan Vera legde ik uit dat het rode koord langs de plint bedoeld was voor mensen die gevallen waren en niet meer konden opstaan. Jules vond het koord zelf interessanter dan de uitleg. Terwijl ik met Vera bezig was, stak ik een been uit om Jules op voldoende afstand van het koord te houden.
    Poging twee. We passeerden opnieuw de vier hangende medewerkers bij de klantenbalie. Goedemiddag, goedemiddag.
    Ergens voorbij het sanitair meldde Jules dat ze ook moest plassen. Ze draagt pas twee weken geen luier meer, dus ik complimenteerde haar met het feit dat ze het aan me meldde voordat het te laat was. Toen holden we terug naar de toiletten.
    Poging drie. De hangende medewerkers keken nu enigszins wantrouwend.
    Het aanbod flexibele buisvormige voorwerpen van de Gamma was teleurstellend. Helemaal achterin, net voor het timmerhout en de tuintegels, vonden we cilindervormig isolatiemateriaal voor radiatorbuizen. Beter dan dit werd het niet. Vera wilde graag de maat die zo strak om haar duim ging dat ze ‘m er bijna niet meer uit kreeg. Ze neemt opdrachten heel serieus. Na enig retorisch hoogstandje van mijn kant, nam ze genoeg met een buis die haar bloedsomloop niet geheel stillegde.
    Op de weg terug naar de kassa, vonden we nog een kleurrijke verzameling tie-wraps. Er zat geen roze bij, maar het pakket werd toch met vreugde ontvangen.
    Voor mijn vrouw nam ik een emmer wasmiddel mee van industriële omvang – zo groot dat het wel een enorme besparing moest zijn. De bijbehorende rekensom kon ik zo snel niet uitvoeren, maar gaat om het gebaar.
    Toen we eenmaal thuis waren, knipte ik twee stukken van de buis, van een handlengte elk. Daarna knipte daar weer een stuk uit, zodat het over haar duim en langs haar de zijkant van haar hand paste. Ik prikte er een gat in en bevestigde het geheel met een tie-wrap rond Vera’s pols. Toen hadden we, voor vier euro twintig, twee anti-duimzuig-apparaten gefabriceerd.
    We keken met trots naar het resultaat.
    ‘Het is echt mooi, pappa,’ zei ze.
    Ik knikte.
    ‘Kijk, ik kan wel zo mijn duim eruit halen.’ Ze trok het elastische buisje omhoog en toonde een wiebelend duimpje.
    Ze zag de teleurstelling op mijn gezicht. Toen zei ze snel: ‘Maar dat zal ik niet doen. Echt niet.’ Ze legde een hand op mijn onderarm. ‘Dat beloof ik, pappa.’
    Troost van een zesjarige. Soms is falen mooier dan succes.





Het hoogtepunt uit mijn loopbaan

Alles moest in dozen. Morgenmiddag word ik samen met 500 andere medewerkers naar een nieuwe kamer verhuisd.
    Mijn collega’s waren naar huis. Ik zette luide muziek op en begon met het vullen van de papiercontainer. Artikelen die ik ooit had gelezen. Artikelen die ik ooit had moeten lezen. Een halve meter afstudeerscripties. Twee ongeopende dozen met exemplaren van mijn proefschrift. Stapels oude tentamens.
    Ik kwam drie dozen tegen van de vorige verhuizing. Nooit meer ingekeken. Nieuwsgierig trok ik een vuistdikke stapel papier uit een doos. Het bleken stukken van een samenwerking die nogal pijnlijk geëindigd was. Toen besloot ik dat ik geen tijd had voor nostalgie.
    Achter een rijtje boeken trof ik twee sledes met dia’s. Relikwieën van een oude beschaving van voor de uitvinding van Powerpoint. Ik had de neiging om ze te bewaren zodat iemand ooit nog zou kunnen grijnzen om deze curiositeit. Maar ik kon niet verzinnen welke iemand dat zou zijn.
    Halverwege het uitruimen van de twee boekenkasten, stuitte ik op anderhalve meter publicaties van mijn hand. Alles wat ooit was uitgekomen met mijn naam erop. Veel daarvan in meerdere exemplaren, om uit te kunnen delen. Nu, jaren later, stond het nog steeds klaar om uitgedeeld te worden.
    De oogst van een kleine twee decennia wetenschap. Ik zag titels die wanhopig probeerden te ontsnappen aan de futiliteit van de observaties die in de pagina’s erna uitputtend werden omschreven. Ik zag een dun rijtje publicaties, als een jaarring, van een periode waarin ik wetenschapper was bij gebrek aan een beter idee. Het was lang geleden dat ik aan die periode had gedacht. Ik zag een boek dat uitgegeven was door Oxford University Press en dat lange tijd het hoogtepunt was geweest uit mijn loopbaan. Misschien was het dat nog steeds.
    In de bureaulade had ik een cheque gevonden van Oxford University Press voor de royalties van het hoogtepunt uit mijn carrière: $13.03. Ik had de cheque nooit geïnd omdat de verwerkingskosten van de cheque hoger waren dan het bedrag dat erop stond.

    Er drongen zich rekensommen aan me op over het aantal uren van mijn leven dat op die kastplank was achtergebleven.
    Maar ik zei al, ik had geen tijd voor nostalgie.
    Een paar planken daaronder trof ik een serie bakjes met een opbergsysteem dat ik niet meer kon achterhalen. In een van de bakjes lag een tekening van Kamagurka. ‘Het ruikt hier naar onzin,’ luidde de tekst. Uit een periode waarin ik dacht dat zelfspot een effectief antwoord was. Die periode duurde nogal lang.
    Ik schoof alles in een doos.
    Er verscheen een man in de deuropening die een formulier op de deur plakte met instructies voor de verhuizers.
    Hij keek een ogenblik naar me. ‘Redelijk melodramatische muziek,’ zei hij.
    Ik knikte. Het was iets larmoyants van Nick Cave.
    Toen de man weer weg was, zette ik andere muziek op. Het quotum zelfmedelijden was wel weer op dit jaar.
    Een uur later was ik klaar. In de gang trof ik onze twee Iraanse medewerkers. Ze waren nog aan het inpakken.
    De jongen vroeg of ik veel had weggegooid.
    Ik zei dat ik alles snel in dozen had gekwakt. Dat de aanblik van mijn eigen publicaties te deprimerend was om te selecteren wat kon worden weggegooid.
    Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘Ik hoop dat ik ooit zo gedeprimeerd word als jij.’





Stil verwijt

We hebben twee konijnen te logeren, van de buren. Het hok staat naast de vuilnisbakken. Ik gooide net wat afval weg en zag ze zitten, in het donker. Ze schrokken van het dichtklappen van de afvalcontainer.
    De witte heet Smokey, de naam van de zwarte weet ik niet. Ik hoor de buurmeisjes alleen over Smokey praten. Er zit een zeker ontzag in hun stemmen als ze mijn kinderen inwijden in de wensen van het konijn. Ze zijn de exclusieve woordvoerders van een mysterie.
    Het leek me koud in het hok. De dieren waren bovendien in de meest tochtige en zichtbare hoek gaan zitten, als een stil verwijt. Ik heb niet bedacht dat ze hun leven achter gaas in de achtertuin van een rijtjeshuis moeten doorbrengen, maar tegen zoveel hulpeloosheid is geen argument opgewassen.
    Er zijn allerlei redenen waarom ik geen dieren in huis wens te hebben, maar dit is de belangrijkste: als ik een huisdier zie, zie ik een verwijt.
    Terwijl ik naar binnen liep, kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat twee paar ogen me indringend volgden.
    Ik ruimde het aanrecht op.
    ’s Middags had ik even de hoop gekoesterd dat ik de spitskool die in het groenteabonnement zat aan de konijnen kon slijten. De ontdekking van een gedeeld belang – wij verlost van de spitskool, zij van het stro – schiep een band. Maar volgens mijn vrouw waren ze recent bij de dierenarts geweest en die had enig overgewicht geconstateerd. Er was een dieet opgesteld en spitskool paste daar niet in, meende ze.
    De konijnen moesten hun lot in blakende gezondheid zien te dragen.





Column L1

Elke maand zal ik een radiocolumn inspreken voor L1, de regionale omroep van Limburg. De eerste afllevering werd vandaag uitgezonden – gebaseerd op mijn stukje over carnaval.
    Ik twijfelde erover of ik de tekst in het Nederlands of in het Limburgs zou voorlezen. Mijn vrouw haalde me over om het laatste te doen. Nu ik de column heb terug gehoord, neig ik ernaar om die keuze te herzien.




‘De dronken oliebol wil even knuffelen,’ zei mijn vrouw terwijl ze tegen me aankroop. Ze verwees naar een eerder stukje.
    Ik zei dat ze beter moest lezen. ‘Jij bent niet de oliebol, de activiteit van het knuffelen is de oliebol.’
    ‘Hm.’
    ‘Maar ik ben blij dat je je niet laat ontmoedigen.’
    ‘Wie zei dat ik me niet laat ontmoedigen?’ vroeg ze. Toen ging ze tandenpoetsen.

21/02 - 0

Een echte vogelverschrikker

Na de optocht stonden we in de harmoniezaal, omgeven door luide muziek en confetti. Ik dronk een piepke sjoes, met mijn jongste dochter op mijn arm. Als ik probeerde haar op de grond te zetten, deed ze alsof ze boven een krokodillenvijver bungelde. Benen omhoog en angstige blik naar beneden.
    Bij elke serveerster die passeerde, vroeg mijn moeder of ik nog een sjoeske wilde. Er passeerden nogal wat serveersters.
    Sinds ik getrouwd  ben, proberen mijn ouders me dronken te voeren met carnaval. Vroeger maakten ze zich zorgen dat ik teveel plezier had, nu verdenken ze me ervan dat ik te weinig plezier heb in het leven. Ouderlijke zorg houdt nooit op, alleen de middelen veranderen.
    Mijn vrouw was er niet bij. Vorig jaar had ze voor het eerst in haar leven carnaval gevierd, dit jaar bleef ze thuis. Ze is opgegroeid in Zoetermeer en heeft in Amsterdam gestudeerd. Zo iemand kun je niet elk decennium de polonaise laten lopen.

In de trein hadden mijn dochters en ik tussen de carnavalstoeristen gezeten. Sommige toeristen hadden werk gemaakt van hun kostuums, dat viel niet te ontkennen. Toch had het iets halfhartigs. Het waren pijnloze verkleedpartijen van mensen die wilden voorkomen dat ze er belachelijk uit zouden zien. Een gemiste kans.
    De flirt met zelfvernedering is een van de meer sympathieke kanten van het carnaval. Ik herinner me dat ik als puber een keer verkleed was als bloem. Rond mijn gezicht zat een krans van grote schuimrubberen bloembladen. Ze hingen slap naar beneden, waardoor ik meer leek op een treurwilg. Een te krappe groene maillot en idem truitje omklemden mijn stakerige lijf – hetzelfde lijf dat ik in het zwembad met grote tegenzin blootstelde aan de blikken van mijn klasgenoten.
    Ik weet nog dat ik me onkwetsbaar voelde in het bloemenpak. Er was niets meer te verliezen.

Dit jaar was ik vogelverschrikker. Ik ben afhankelijk van wat mijn ouders op zolder hebben liggen. Het was vogelverschrikker of kip en vorig jaar was ik kip geweest.
    Mijn vader moest tappen, maar op een gegeven moment kwam hij even naar onze tafel. Hij zag me staan en schoot in de lach. ‘Vogelverschrikker!’ riep hij verrast, alsof hij het pak nog nooit gezien had.
    Mijn moeder draaide zich naar mij en leek ineens ook verrast. Met een licht zorgelijke stem riep ze naar mijn vader: ‘Ja, hij is echt een vogelverschrikker.’
    Ik glimlachte wat ongemakkelijk.
    Toen knikte mijn vader naar mijn halfvolle glas en vroeg: ‘Wil je nog een sjoeske?’




Vanavond ben ik in De Bonbonnière in Maastricht om deel te nemen aan een debat over "Het onbehagen in Limburg". Er is een bonte schare sprekers opgetrommeld, waaronder de verguisde Cor Bosman, met wie ik onlangs een boeiend interview las. De sprekers gaan in een strak format de discussie aan met elkaar en met de zaal. De toegang is gratis, maar ik heb geen idee of er nog kaarten zijn. Voor ik afreis, ga ik nog een rekwisiet kopen. Een debat is een vorm van theater, tenslotte.

16/02 - 0

Grimmige voldoening

Om kwart voor twaalf ’s avonds zou ik een kort radio-interview geven voor Met het oog op morgen van Radio 1. Ze stuurden me naar de studio van de regionale omroep West in Den Haag. Daar zou een verbinding met de studio in Hilversum worden gemaakt.
    Ik belde aan bij de studio, maar niemand deed open. Even later kwam een vrouw naar buiten en ik glipte achter haar naar binnen door de sluitende schuifdeuren.
    De hal was verlaten.
    Toen verscheen een man die vroeg voor wie ik kwam.
    Ik zei dat ik kwam voor een opname voor Met het oog op morgen.
    ‘Daar weet ík niks van,’ mompelde de man.
    Zonder iets te zeggen verdween hij in een regieruimte. Ik besloot hem te volgen.
    ‘Dat is niet aan mij doorgegeven,’ zei hij. Met een muis scrolde werktuiglijk hij door een emailvenster, alsof hij mij wilde bewijzen dat hij niet geïnformeerd was.
    Na een moment waarin we zwijgend tegenover elkaar stonden, besloot hij mij alvast maar achter een microfoon te zetten in een andere ruimte.
     Ik zag hem, achter het glas, bellen. Het enige dat ik kon verstaan was: ‘Nee, ik óók niet.’
    Uiteindelijk werd de verbinding opgebouwd.
    De regie in Hilversum vroeg of ik even iets wilde zeggen.
    ‘Zomaar iets zeggen?’ vroeg ik.
    Dat was voldoende.
    Even later kwam de man het kamertje binnen, trok de microfoon bij me weg en zei: ‘Hallo. Hallo Hilversum, hier West. Hoort u mij?
    Er kwam geen antwoord.
    Ik vroeg wat hij wilde vragen aan Hilversum.
    ‘Of ze even een factuurtje willen sturen. Nou moet ik het weer doen.’
    Hij vroeg nog een keer of Hilversum hem kon horen.
    Toen duwde hij de microfoon weer terug in mijn richting.
    ‘Wij luisteren wel naar Hilversum, maar Hilversum niet naar ons,’ constateerde hij met de grimmige voldoening van iemand die weet hoe de wereld in elkaar zit.





Maand zevenenzeventig

Lieve Vera,

Vanochtend kroop je bibberend boven op de verwarming om je kleren aan te trekken, ook kwam er nauwelijks warme lucht uit het rooster. Ik heb de thermostaat zo ingesteld dat het 16 graden is wanneer we opstaan. Op werkdagen gaat de verwarming dan meteen weer uit.
    Ik zou nu iets kunnen zeggen over het milieu of over het ongemak dat ik voel bij de gedachte dat we het huis warm stoken voor een uurtje comfort in de ochtend. Maar de waarheid is dat ik geniet van het afzien van genot.
    Dat is de prijs van beschaving: genot is omgeven door bezwaren. Tel maar eens op hoe vaak de reclame ons ‘onbekommerd genieten’ belooft. Gewoon genieten is bekommerd genieten, dat is de impliciete erkenning. De beschaafde mens heeft dat opgelost door de onderdrukking van genot zelf de plaats van het genot in te laten nemen. Het menselijke ras is een prachtige uitvinding, laat je niets wijsmaken.
    Ergens tussen het smeren van jouw lunch, het inpakken van een verweesd tartaartje voor mijn lunch, je haren borstelen, je zus aankleden, het inruimen van de vaatwasser en het op de trap leggen van jullie pyjama’s, vroeg je waarom ik de verwarming niet aanzette.
    Ik kan me niet meer herinneren wat ik precies antwoordde.
    Het lokte wel een vervolgvraag uit. Je vroeg: ‘Wat is dat, energie?’
    Vroeger, toen je net geboren was, verheugde ik me op het moment dat je zulke vragen zou gaan stellen. In mijn fantasie bracht ik je de liefde voor natuurkunde bij. In die fantasie was het echter nooit kwart over zeven in de ochtend en werd de vraag niet onderbroken door klappertanden – of zoals jij het noemt: bibbertanden.
    Ergens aan het einde van mijn onbegrijpelijke relaas viel het woord ‘zonde’. Waar de wetenschap faalt, is er altijd nog het moralisme.
    Prompt zei je: ‘O ja, pappa. Nu snap ik het. Dan moeten we vanavond de verwarming ook niet aanzetten, want dat is zonde.’
    Het zal niet lang meer duren voor we ook aan jouw onbekommerd genieten een einde hebben gemaakt.
    Ik bood aan om je even op schoot te nemen en warm te knuffelen. Hoe onsmakelijk ik dat woord ook vind, ik knuffel je graag, altijd. Ik heb me vaak afgevraagd waarom dat niet geldt voor de volwassenen die me dierbaar zijn, in het bijzonder je moeder. Bij haar ervaar ik het knuffelen als een activiteit voor uitzonderlijke gelegenheden, zoals je een oliebol eet op oudjaar. Op alle andere dagen zie ik alleen maar een homp gefrituurd meel met een teleurstellend aantal rozijntjes. Niet iets waar ik trots op ben, overigens.
    Je nam mijn aanbod aan. Ik vouwde je op tot een pakketje en begon je warm te wrijven. Je bent zesenhalf en je lijf krijgt lengte en een zekere pezigheid. Na jou wilde Jules ook en toen ik haar omklemde besefte ik: dit is het echte werk. Een klein, zacht, onbeholpen pakketje mens dat ik met moeite los kon laten. Misschien had ik toch niets tegen volwassen vrouwen, maar waren hun lijven gewoon te lang en niet onbeholpen genoeg. Een geruststellende gedachte.

In de kou van de afgelopen maand, drong ook tot je door dat er kinderen bestaan die jou tot de middelmaat veroordelen. Je krabbelde heel verdienstelijk op je nieuwe schaatsjes en je liet je daar uitgebreid voor huldigen door ons. In je enthousiasme vroeg je een klasgenootje mee te gaan schaatsen. Al snel bleek dat ze aanzienlijk beter schaatste dan jij, een feit dat je zelf observeerde en dat je niet wenste te relativeren. Je was zo woedend dat je expres beroerd ging schaatsen, inclusief schwalbes, waarna je veinsde niet meer te kunnen opstaan.
    Je was altijd al een slecht verliezer, maar tot voor kort werd je boos omdat je meende dat er van onrecht sprake was. Je verloor omdat iemand vals speelde. Sinds kort weet je: je verliest omdat je inferieur bent. Er is maar een ding erger dan ten onrechte verliezen, en dat is terecht verliezen.
    Gisteren vertelde je moeder aan onze visite dat je erg competitief blijkt te zijn en dat je dat van mij zou hebben. Dat vind ik teveel eer. Ik zal niet bestrijden dat ik competitief ben, maar je moeder heeft in een aangeschoten bui wel eens bekend dat ze er van droomde zoveel te verdienen dat ze mij ontslag kon laten nemen en kon onderhouden. Dat is natuurlijk liefdevol, maar ook een poging om mij als huisdier te nemen. Dat knuffelt waarschijnlijk ook een stuk prettiger.
    Je superieur schaatsende klasgenootje kan ook nog eens beter lezen en tekenen dan jij. Mijn advies is: blijf in haar nabijheid en koester je woede. De koortsige hoop haar ooit te verslaan, is de meest betrouwbare bondgenoot die je kunt hebben. Op een dag sla je een arm om haar heen en dan zeg je: ‘Zullen we eens kijken wat voor mooie tekening je vandaag weer gemaakt hebt?’ Vanaf die dag hoef je het nooit meer koud te hebben.